• Nederlands
  • Français
  • Deutsch
  • English

KB 24 MEI 2006 VAARBEVOEGDHEIDSBEWIJZEN

J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
  Handtekening Einde   Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State  
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/05/24/2006014128/justel

 
Titel
24 MEI 2006. - Koninklijk besluit inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-05-2006 en tekstbijwerking tot 09-10-2014)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 31-05-2006 nummer :   2006014128 bladzijde : 28228   BEELD
Dossiernummer : 2006-05-24/31
Inwerkingtreding : 31-05-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Verkrijgen van vaarbevoegdheidsbewijzen.
Art. 1-5, 5/1, 6-10, 10/1, 11-16, 16/1
HOOFDSTUK 1/1. [1 - Intoxicatie.]1
Art. 16/2, 16/3, 16/4, 16/5, 16/6
HOOFDSTUK I/2. [1 - Scheepskok.]1
Art. 16/7, 16/8, 16/9, 16/10, 16/11, 16/12, 16/13, 16/14, 16/15
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
Art. 17-23
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
Art. 24-27
HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepalingen.
Art. 28
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 29, 29/1, 30-31
BIJLAGEN.
Art. N1-N5, N5/1, N5/2, N5/3, N6-N7

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Verkrijgen van vaarbevoegdheidsbewijzen.

  Artikel 1.[2 Voor de toepassing van dit besluit ter :
   - gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 1999/63/EG van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST), gewijzigd bij Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009;
   - gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden, gewijzigd bij Richtlijn 2012/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012;
   wordt verstaan onder :]2
  1° "zeeschepen" : schepen, andere dan schepen die uitsluitend varen op de binnenwateren of op wateren binnen of nauw grenzend aan beschutte wateren of zones waar havenvoorschriften van toepassing zijn;
  2° "lidstaat" : een lidstaat van de Europese Unie;
  3° "zeeschip dat gerechtigd is de vlag van een lidstaat te voeren" : een zeeschip dat geregistreerd is in en de vlag voert van een lidstaat volgens de wetgeving van die lidstaat. Zeeschepen die niet aan deze definitie voldoen, worden gelijkgesteld met zeeschepen die onder de vlag van een derde land varen;
  4° "zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren" : een zeeschip dat in België geregistreerd is en gerechtigd is de Belgische vlag te voeren overeenkomstig de Belgische wetgeving;
  5° "kapitein" : degene die het bevel voert over een zeeschip;
  6° "officier" : een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die als zodanig aangewezen is op grond van de vigerende wetgeving inzake de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst;
  7° "dekofficier" : een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage I;
  8° "eerste stuurman" : de officier die in rang volgt op de kapitein en op wie het bevel over het zeeschip komt te rusten indien de kapitein daartoe niet in staat is;
  9° "werktuigkundige" : een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;
  10° "hoofdwerktuigkundige" : de werktuigkundige die het oudst in rang is en die verantwoordelijk is voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip;
  11° "tweede werktuigkundige" : de werktuigkundige die in rang volgt op de hoofdwerktuigkundige en op wie de verantwoordelijkheid voor de werktuiglijke voortstuwing en de werking en het onderhoud van de werktuiglijke en elektrische installaties van het zeeschip komt te rusten, indien de hoofdwerktuigkundige daartoe niet in staat is;
  12° "assistent-werktuigkundige" : een persoon die aan boord van een zeeschip een opleiding volgt tot werktuigkundige en als zodanig op grond van de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst is aangewezen;
  13° "BIPT" : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  14° [1 ...]1
  15° "radio-operator" : een persoon die in het bezit is van een bewijs van beroepsbekwaamheid, afgegeven of erkend door het BIPT, krachtens de bepalingen van het radioreglement zoals gedefinieerd onder punt 24;
  16° "gezel" : een lid van de bemanning van het zeeschip, niet-zijnde de kapitein of een officier;
  17° "STCW-verdrag" : het internationaal verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, zoals dit geldt voor de van toepassing zijnde onderwerpen, rekening houdend met de overgangsbepalingen van artikel VII en Voorschrift I/15 van het STCW-verdrag en met inbegrip, voorzover van toepassing, van de desbetreffende bepalingen van de STCW-code, die alle worden toegepast, in de meest recente versie;
  18° [1 "STCW-code" : de code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden, zoals aangenomen bij resolutie 2 van de Conferentie van 1995, in de bijgewerkt versie;]1
  19° "reizen nabij de kust" : reizen binnen een vaargebied onder Belgische jurisdictie dat zich uitstrekt tot dertig zeemijlen uit de Belgische kust, of reizen in de nabijheid van een lidstaat, zoals door die lidstaat omschreven of in de nabijheid van een partij, zoals door die partij omschreven;
  20° "voortstuwingsvermogen" : het maximale vermogen uitgedrukt in kilowatt, dat door de voortstuwingsmachine(s) van het zeeschip zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd, zoals vermeld in het bijvoegsel aan de meetbrief waarvan het model opgenomen is in bijlage III bij het koninklijk besluit van 7 mei 1984 ter uitvoering van de wet van 12 juli 1983 op de scheepsmeting;
  21° "olietanker" : een zeeschip gebouwd en gebruikt voor het vervoer in bulk van aardolie en aardolieproducten;
  22° "chemicaliëntanker" : een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar product opgenomen in hoofdstuk 17 van de Internationale Code inzake het vervoer van chemicaliën in bulk (International Bulk Chemical Code), in de meest recente versie;
  23° "vloeibaargastanker" : een zeeschip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van enig vloeibaar gemaakt gas of ander product opgenomen in hoofdstuk 19 van de Internationale Code inzake het vervoer van vloeibaar gemaakt gas (International Gas Carrier Code) in de meest recente versie;
  24° [1 "radioreglement" : het radioreglement dat is gehecht aan, of wordt geacht te zijn gehecht aan, het internationaal Verdrag betreffende telecommunicatie, zoals gewijzigd;]1
  25° [1 "passagiersschip" : een schip zoals omschreven in het SOLAS-verdrag;]1
  26° "vissersvaartuig" : een vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
  27° "radiowerkzaamheden" : werkzaamheden die, al naar gelang van het geval, de luisterwacht omvatten alsmede het technisch onderhoud en reparatiewerkzaamheden overeenkomstig het radioreglement, het internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS-verdrag) en de desbetreffende aanbevelingen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), in de meest recente versie;
  28° "ro-ro-passagiersschip" : een passagiersschip met ruimten voor ro-ro-lading of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in het SOLAS-verdrag, in de meest recente versie;
  29° "functie" : een verzameling taken, plichten en verantwoordelijkheden, zoals aangegeven in de STCW-code, die vereist zijn voor de bedrijfsvoering aan boord, de beveiliging van mensenlevens op zee of de bescherming van het mariene milieu;
  30° "maatschappij" : de reder van het zeeschip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het zeeschip leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het zeeschip heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd;
  31° [1 ...]1
  32° [1 "diensttijd" : het dienstdoen aan boord van een schip voor zover van belang voor de afgifte of vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs, een bekwaamheidsbewijs of een andere kwalificatie;]1
  [3 32° /1 "arbeidstijd" : de tijd gedurende welke een zeevarende arbeid voor het schip moet verrichten;
   32° /2 "rusttijd" is de tijd buiten de arbeidstijd. Korte pauzes vallen niet onder dit begrip;]3
  33° "goedgekeurd" : goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn;
  34° "maand" : een kalendermaand of 30 dagen samengesteld uit perioden van minder dan een maand;
  35° "derde land" : een land dat geen lidstaat is;
  36° "Commissie" : de Commissie [1 van de Europese Unie]1;
  37° "Minister" : de Minister tot wiens bevoegdheid de Maritieme Zaken en de Scheepvaart behoren;
  38° "Directoraat" : het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  39° "aannemersmaterieel" : baggerschepen, sleepschepen en hulpschepen voor offshore installaties;
  40° "commercieel pleziervaartuig" : elk vaartuig gebruikt voor winstgevende verrichtingen in welke vorm ook, dat op zee aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is, met uitsluiting van de vaartuigen gebruikt of bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
  41° "SOLAS-verdrag" : het internationaal verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen, in de meest recente versie;
  42° [1 "Richtlijn 2008/106/EG" : Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden, in de meest recente versie;]1
  [1 43° "GMDSS-radio-operator" : een persoon die gekwalificeerd is in overeenstemming met hoofdstuk IV van bijlage I;
   44° "ISPS-Code" : de internationale code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility Security Code), zoals op 12 december 2002 goedgekeurd bij resolutie 2 van de Conferentie van verdragsluitende staten bij SOLAS-verdrag, in bijgewerkte versie;
   45° "scheepsveiligheidsbeambte" : een zich aan boord van het schip bevindende, aan de kapitein verantwoording verschuldigde persoon, die door de maatschappij is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het schip, inclusief uitvoering en onderhoud van het scheepsveiligheidsplan, en voor het contact met de veiligheidsbeambte van de maatschappij en de veiligheidsbeambten van de havenfaciliteit;
   46° "beveiligingstaken" : alle beveiligingstaken aan boord van schepen zoals bepaald in hoofdstuk XI/2 van SOLAS-Verdrag, en in de ISPS-code;
   47° "vaarbevoegdheidsbewijs" : een vaar-bevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring voor kapiteins, officieren en GMDSS-radio-operatoren van het wereldwijd maritiem nood- en veiligheidssysteem in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstukken II, III, IV of VII van bijlage I, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau;
   48° "bekwaamheidsbewijs" : een bewijs van bekwaamheid anders dan het vaarbevoegdheidsbewijs dat aan een zeevarende wordt afgegeven, waarin staat dat aan de in dit besluit vermelde relevante eisen op het gebied van opleiding, vaardigheden of diensttijd is voldaan;
   49° "schriftelijk bewijs" : een ander document dan een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat wordt gebruikt om vast te stellen dat aan de relevante eisen van dit besluit is voldaan;
   50° "elektrotechnisch officier" : een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;
   51° "volmatroos met dekdienst" : een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage I;
   52° "volmatroos met machinekamerdienst" : een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;
   53° "elektrotechnisch matroos" : een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;]1
  [3 54° "MLC 2006" : het Verdrag betreffende maritieme arbeid, aangenomen te Genève op 23 februari 2006 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar 94ste zitting.]3
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>
  (2)<KB 2014-09-30/05, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>
  (3)<KB 2014-09-30/05, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 2.[1 Tenzij andersluidende bepaling zijn de bepalingen van dit besluit]1 van toepassing op de in dit besluit genoemde zeevarenden die dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, met uitzondering van :
  - oorlogsschepen, hulpschepen voor de marine of andere zeeschepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door België en die uitsluitend worden gebezigd voor een niet-commerciële overheidsdienst;
  - vissersvaartuigen;
  - pleziervaartuigen andere dan commerciële pleziervaartuigen;
  - houten zeeschepen van primitieve bouw.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-30/05, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 3.[1 Om een bewijs zoals omschreven in artikel 1, onder 47° en 48°, en/of een schriftelijk bewijs zoals omschreven in artikel 1, punt 49°, te verkrijgen moeten zeevarenden die dienst doen op een schip als bedoeld in artikel 2 ten minste een opleiding hebben genoten die voldoet aan de eisen van het STCW-verdrag opgenomen in bijlage I bij dit besluit en aan de bepalingen van dit besluit.]1
  Bemanningsleden die een [1 bekwaamheidsbewijs]1 moeten bezitten overeenkomstig de bepalingen van voorschrift III/10.4 van het SOLAS-verdag hebben een opleiding genoten en zijn in het bezit van een bewijs van beroepsbekwaamheid overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>
  (2)<KB 2014-09-30/05, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 4.
  <Opgeheven bij KB 2014-09-04/12, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 5.[1 § 1. Vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen worden slechts afgeven aan kandidaten die aan de eisen van dit artikel voldoen door de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld, onverminderd het bepaalde in paragraaf 4.
   § 2. De vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen voor kapiteins, officieren en radio-operators worden door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, voorzien van een officiële verklaring volgens de voorschriften van dit artikel.
   § 3. Vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met voorschrift I/2, lid 3, van de bijlage bij het STCW-verdrag.
   § 3/1. Vaarbevoegdheidsbewijzen worden uitsluitend afgegeven na controle van de echtheid en de geldigheid van de nodige schriftelijke bewijzen en in overeenstemming met de bepalingen in dit artikel.
   § 4. Met betrekking tot de radio-operators wordt door het BIPT een afzonderlijk vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs afgegeven waarin is vermeld dat de houder de aanvullende kennis vereist volgens de desbetreffende voorschriften bezit.
   § 5. De officiële verklaringen worden opgenomen in het model van het vaarbevoegdheidsbewijs en bekwaamheidsbewijs afgegeven zoals voorgeschreven in sectie A-I/2 van de STCW-code. Het gebruikte model komt overeen met het model dat is beschreven in sectie A-I/2, lid 1 van de STCW-code.
   De officiële verklaringen worden afgegeven overeenkomstig artikel VI, lid 2, van het STCW-verdrag.
   Officiële verklaringen ter bevestiging van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs en officiële verklaringen ter bevestiging van afgifte van een bekwaamheidsbewijs aan kapiteins en officieren in overeenstemming met voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I worden uitsluitend afgegeven indien aan alle vereisten van het STCW-verdrag en dit besluit is voldaan.
   § 6. De met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld, geven een officiële verklaring af ter bevestiging van de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat krachtens de procedure van artikel 15, § 1, a), is afgegeven aan kapiteins en officieren in overeenstemming met de voorschriften V/1-1 en V/1-2 van de bijlage bij het STCW-verdrag, na zich te vergewissen van de echtheid en geldigheid van dat bewijs. Het model van de gebruikte officiële verklaring komt overeen met het model zoals opgenomen in lid 3 van sectie A-I/2 van de STCW-code.
   § 7. De officiële verklaringen bedoeld in de paragrafen 5 en 6 :
   a) mogen als afzonderlijke documenten worden afgegeven;
   b) worden uitsluitend door de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld afgeven;
   c) zijn alle voorzien van een eigen, uniek nummer, met dien verstande dat aan officiële verklaringen die de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bevestigen, hetzelfde nummer mag worden toegekend als aan het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs, op voorwaarde dat dit nummer uniek is; en
   d) verliezen hun geldigheid zodra het van een officiële verklaring voorziene vaarbevoegdheidsbewijs of het van een officiële verklaring voorziene bekwaamheidsbewijs dat aan kapiteins en officieren is afgegeven overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I bij het STCW-verdrag, verloopt of wordt ingetrokken, tijdelijk wordt ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door de lidstaat of het derde land dat het heeft afgegeven en, in elk geval, uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte ervan.
   § 8. De hoedanigheid waarin de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs gerechtigd is te varen wordt in de officiële verklaring vermeld in bewoordingen gelijk aan die welke worden gebruikt in de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van zeeschepen zoals bepaald in artikel 90 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
   § 9. Behoudens de bepalingen van artikel 15, § 2, is het origineel van elk op grond van dit besluit vereist vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs beschikbaar aan boord van het zeeschip waarop de houder dienst doet.
   § 10. Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs wensen te verkrijgen, dienen het bewijs over te leggen :
   a) van hun identiteit;
   b) dat hun leeftijd niet lager is dan die welke is voorgeschreven in de in bijlage I opgesomde voorschriften voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs;
   c) dat zij voldoen aan de normen betreffende medische geschiktheid van sectie A-I/9 van de STCW-code overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;
   d) dat zij de diensttijd, en elke verplichte opleiding die door de voorschriften van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs wordt vereist, hebben voltooid; en
   e) dat zij voldoen aan de normen van vakbekwaamheid die door de voorschriften van bijlage I worden vereist voor de hoedanigheden, functies en niveaus, die moeten worden vermeld in de officiële verklaring bij het vaarbevoegdheidsbewijs.
   Deze paragraaf is niet van toepassing op erkenningen van officiële verklaringen overeenkomstig voorschrift I/10 van het STCW-verdrag.
   § 11. De met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld :
   a) houdt een elektronisch register bij van alle vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen voor kapiteins en officieren en, waar van toepassing, matrozen, die zijn afgegeven, zijn verlopen of zijn vernieuwd, ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig verklaard of als vermist of vernietigd zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend;
   b) stelt alle gegevens elektronisch beschikbaar betreffende de status van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en dispensaties aan andere lidstaten of andere partijen bij het STCW-verdrag en maatschappijen die om bevestiging van de echtheid en geldigheid verzoeken van vaarbevoegdheidsbewijzen en/of aan kapiteins en officieren overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I afgegeven bewijzen die aan hen worden overgelegd door zeevarenden die conform voorschrift I/10 van het STCW-verdrag erkenning aanvragen of werk zoeken aan boord van een schip.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 5/1. [1 Het Directoraat verstrekt, met het oog op statistische analyse en uitsluitend voor het gebruik door de lidstaten of de Commissie, jaarlijks aan de Commissie de in bijlage VI bij dit besluit bedoelde gegevens over vaarbevoegdheidsbewijzen en over officiële verklaringen ter bevestiging van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen. Voor dezelfde doeleinden kan het Directoraat de bekwaamheidsbewijzen die aan matrozen zijn uitgegeven in overeenstemming met de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-Verdrag verstrekken aan de Commissie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 6. De in artikel 3 bedoelde vereiste opleiding wordt verstrekt in een vorm die past bij de theoretische kennis en praktische vaardigheden die in de bijlage I worden voorgeschreven, in het bijzonder wat betreft het gebruik van reddings- en brandbestrijdingsmiddelen, en welke goedgekeurd is door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.

  Art. 7.§ 1. Voor reizen nabij de kust, worden geen eisen betreffende opleiding, ervaring of [1 bekwaamheidsbewijzen]1 opgelegd aan zeevarenden, dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van de vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag tijdens dergelijke reizen, op een wijze die leidt tot strengere eisen voor die zeevarenden dan voor de zeevarenden, dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren. In geen geval worden eisen gesteld, met betrekking tot zeevarenden dienstdoende aan boord van zeeschepen die gerechtigd zijn tot het voeren van een vlag van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, die strenger zijn dan die van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet.
  [1 § 1/1. Voor schepen waarop de voordelen van de bepalingen van het STCW-verdrag inzake reizen nabij de kust van toepassing zijn, met inbegrip van reizen aan de kust van andere lidstaten of partijen bij het STCW-verdrag binnen de grenzen van hun omschrijving van "nabij de kust", sluit het Directoraat een overeenkomst met de betrokken lidstaten of partijen waarin de details van hun handelsgebied in kwestie en andere relevante bepalingen worden vastgesteld.]1
  § 2. Met betrekking tot zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, die regelmatig worden ingezet voor reizen nabij de kust voor de kust van een andere lidstaat of een andere partij bij het STCW-verdrag, moeten op zodanige zeeschepen dienstdoende zeevarenden voldoen aan eisen inzake opleiding, ervaring en [1 bekwaamheidsbewijzen]1, die ten minste gelijk zijn aan die van de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag voor wiens kust het zeeschip wordt ingezet, mits deze de eisen van dit besluit met betrekking tot zeeschepen die niet voor reizen nabij de kust worden ingezet niet te boven gaan. Zeevarenden dienst doende op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren waarvan de reis buiten het gebied komt dat door de lidstaat of andere partij bij het STCW-verdrag is omschreven voor reizen nabij de kust, en dat zich begeeft in wateren die niet onder deze omschrijving vallen, dienen aan de van toepassing zijnde pertinente eisen van dit besluit voldoen.
  § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, kunnen een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, de voordelen van de bepalingen van dit besluit inzake reizen nabij de kust toekennen wanneer het regelmatig in de nabijheid van de kust van een staat, die geen partij is bij het STCW-verdrag wordt gebruikt voor reizen nabij de kust.
  [1 § 3/1. De vaarbevoegdheidsbewijzen van zeevarenden die door een lidstaat of een partij bij het STCW-verdrag zijn afgegeven voor wat betreft haar omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust kunnen door het Directoraat worden aanvaard voor diensten binnen hun omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust, mits de betrokken lidstaten of partijen een overeenkomst sluiten waarin de details van hun handelsgebied in kwestie en andere relevante bepalingen worden vastgesteld.
   § 3/2. De reizen nabij de kust die worden omschreven in overeenstemming met de eisen in dit artikel moeten voldoen aan de beginselen inzake reizen nabij de kust van sectie A-I/3 van de STCW-code.
   De met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld moeten de beperkingen van de reizen nabij de kust opnemen in de officiële verklaringen die overeenkomstig artikel 5 worden afgegeven.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 8.§ 1. [1 Alle werkzaamheden betreffende opleiding en beoordeling van bekwaamheid, die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of door lichamen die onder hun gezag vallen, worden voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de norm ISO 9001 of volgens een gelijkwaardige norm getoetst teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en ervaring van instructeurs en beoordelaars, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code.
   De afgifte van bewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid, gebeurt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en wordt door een systeem van kwaliteitsbewaking getoetst volgens de ISO norm 9001 of volgens een gelijkwaardige norm teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code.
   De afgifte van een certificaat van medische geschiktheid bedoeld in artikel 102 van het koninklijk besluit van 1973 houdende zeevaartinspectiereglement wordt voortdurend getoetst door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de norm ISO 9001 of een gelijkwaardige norm. Een erkende geneesheer die voldoet aan de norm ISO 9001 of een gelijkwaardige norm geeft het certificaat van medische geschiktheid af conform het model van bijlage XXIV van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement. In afwijking van artikel 2, eerste lid van bijlage XX van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement vult een erkende geneesheer die niet voldoet aan de ISO norm 9001 of een gelijkwaardige norm deel 1 in van het certificaat van medische geschiktheid volgens het model in bijlage VII van dit besluit en maakt dit over aan de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld. De met scheepvaartcontrole ambtenaar die daartoe is aangesteld is vult deel 2 in van het certificaat van medische geschiktheid en geeft het certificaat af aan de aanvrager.
   De onderwijs- en opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken kwaliteitsnorm van bekwaamheid zijn duidelijk omschreven met vermelding van de niveaus van kennis, inzicht en vaardigheid die passen bij de krachtens dit besluit vereiste onderzoeken en beoordelingen. De doelstellingen en de daarmee verband houdende kwaliteitsnormen mogen afzonderlijk worden aangegeven voor verschillende cursussen en opleidingsprogramma's en omvatten het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften.
   Het toepassingsgebied van de kwaliteitsnormen omvat het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften, alle opleidingscursussen en -programma's, de door de instanties, aangewezen overeenkomstig artikel 13, afgenomen examens en de beoordelingen, alsmede de van instructeurs en beoordeelaars verlangde bevoegdheden en ervaring, rekening houdend met de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbewakingsonderzoeken die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen.]1
  § 2. Het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van [1 bewijzen]1, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, is gecertificeerd door een daartoe geaccrediteerde instelling conform de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of door een gelijkwaardige accreditatie-instelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte.
  § 3. Periodiek, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, vindt een onafhankelijke evaluatie plaats van de werkzaamheden met betrekking tot verwerving en beoordeling van kennis, begrip, vaardigheden en bekwaamheid en het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van [1 bewijzen]1, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, door geaccrediteerde instellingen als bedoeld in § 2, die zelf niet bij de werkzaamheden zijn betrokken om na te gaan of :
  a) alle maatregelen van controle en toezicht op de interne bedrijfsvoering en de vervolgwerkzaamheden in overeenstemming zijn met de geplande regelingen en schriftelijk vastgelegde procedures, en doeltreffend zijn om de omschreven doelstellingen te verwezenlijken;
  b) de resultaten van iedere onafhankelijke evaluatie gestaafd zijn met bewijsstukken en onder de aandacht worden gebracht van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het geëvalueerde gebied;
  c) tijdig stappen worden ondernomen om tekortkomingen te corrigeren;
  [1 d) op het stelsel van kwaliteitsnormen alle toepasselijke bepalingen van het STCW-verdrag en de STCW-code, alsook de wijzigingen hiervan, van toepassing zijn.]1
  [1 § 4. Het Directoraat zendt, overeenkomstig het in sectie A-I/7 van de STCW-code bepaald formaat, de Commissie binnen zes maanden na de datum waarop de evaluatie is voltooid een verslag betreffende de op grond van paragraaf 3 vereiste evaluatie.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 9.§ 1. [1 ...]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. De maatschappij of de kapitein meldt iedere aan- en afmonstering van elke zeevarende met opgave van de datum van inscheping en van ontscheping, de functie die aan boord door de zeevarende wordt uitgeoefend en de naam van het betrokken zeeschip aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 10.[1 § 1. Elke kapitein, officier en radio-operator die in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs dat is afgegeven of erkend krachtens enig hoofdstuk van bijlage I, uitgezonderd hoofdstuk VI, en die buitengaats dienst doet of van plan is na een periode aan de wal naar zee terug te keren, dient, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar :
   a) aan te tonen dat hij voldoet aan de normen betreffende medische geschiktheid van sectie A-I/9 van de STCW-code overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement; en
   b) aan te tonen dat hij bij voortduring bevoegd en vakbekwaam is in overeenstemming met de sectie A-I/11 van de STCW-code;
   § 2. Elke kapitein, officier en radio-operator sluit om bij voortduring buitengaats dienst te doen aan boord van zeeschepen waarvoor internationaal bijzondere opleidingseisen overeengekomen zijn, een goedgekeurde desbetreffende opleiding met goed gevolg.
   § 2/1. Elke kapitein en officier moet om blijvend buitengaats dienst te doen aan boord van tankers, voldoen aan de eisen in paragraaf 1 van dit artikel en moet minstens om de vijf jaar aantonen dat hij nog steeds bevoegd en vakbekwaam is om dienst te doen aan boord van tankers in overeenstemming met sectie A-I/11, lid 3, van de STCW-code.
   § 3. De met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld vergelijken de normen inzake bekwaamheid die werden gesteld aan kandidaten voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2017, met die welke in deel A van de STCW-code voor het betrokken vaarbevoegdheidsbewijs zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is de houders van dergelijke vaarbevoegdheidsbewijzen een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of een beoordeling te laten ondergaan.
   Instellingen die erkende getuigschriften voor het volgen van zulke herhalings- en bijscholingscursussen wensen uit te reiken of zulke beoordeling wensen te doen, voldoen aan de bepalingen van artikel 8.
   § 4. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, formuleren, in overleg met de betrokkenen, de opmaak van een structuur van herhalings- en bijscholingscursussen, zoals bepaald in sectie A-I/11 van de STCW-code.
   § 5. Teneinde de kennis van kapiteins, officieren en radio-operatoren "up to date" te houden, stellen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn de teksten van de laatste wijzigingen in de nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, beveiliging en de bescherming van het mariene milieu elektronisch ter beschikking aan de zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, met inachtneming van artikel 157bis, derde lid, b, en artikel 98bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 10/1. [1 § 1. Teneinde vermoeidheid te voorkomen worden de wachten zo geregeld dat de doelmatigheid van het wachtdoende personeel niet wordt geschaad door vermoeidheid en dat de taken zo zijn ingedeeld dat de eerste wacht bij de aanvang van een reis en daaropvolgende aflossende wachten voldoende rust hebben genoten en anderszins geschikt zijn om dienst te doen.
   § 2. De grenzen van de arbeids- en rusttijd zijn :
   a) de maximumarbeidstijd mag niet langer zijn dan :
   i) 14 uur in elke periode van 24 uur; en
   ii) 72 uur in elke periode van zeven dagen;
   of
   b) de minimumrusttijd mag niet korter zijn dan :
   i) 10 uur rust in elke periode van 24 uur; en
   ii) 77 uur in elke periode van zeven dagen.
   § 3. De rusturen mogen worden verdeeld over niet meer dan twee perioden waarvan er één ten minste een lengte heeft van zes uur, en de intervallen tussen twee opeenvolgende rusttijden mogen niet meer dan veertien uur bedragen.
   § 4. De in de paragrafen 2 en 3 neergelegde eisen inzake arbeids- en rusttijden moeten niet worden nageleefd in geval van nood of in andere doorslaggevende operationele omstandigheden.
   Verzamelingen, brandbestrijdingsoefeningen, oefeningen met reddingsboten en oefeningen die krachtens nationale wetten en voorschriften en internationale instrumenten zijn vereist, worden zo uitgevoerd dat de rusttijden zo weinig mogelijk worden verstoord en dat geen vermoeidheid wordt veroorzaakt.
   § 5. Een overzicht van de arbeidsorganisatie aan boord, onder andere de wachtregelingen en de dagelijkse rusturen van zeevarenden, wordt opgehangen op plaatsen waar zij gemakkelijk kunnen worden bekeken.
   Het overzicht wordt opgesteld in het standaardformaat, zodat kan worden nagegaan en gecontroleerd of aan de bepalingen in dit artikel is voldaan.
   Het overzicht wordt opgesteld met inachtneming van bestaande internationale richtlijnen.
   Voor iedere positie wordt ten minste het volgende vermeld :
   a) het rooster voor de dienst op zee en de dienst in de haven; en
   b) de maximum arbeidstijd en de minimum rusttijd voorgeschreven in Belgische wetgeving.
   Zeevarenden krijgen een kopie van de gegevens die over hen worden bijgehouden, die door de kapitein of door een door de kapitein gemachtigde persoon en door de zeevarenden wordt ondertekend.
   Er dienen procedures te worden vastgesteld voor het bijhouden van dergelijke gegevens aan boord, inclusief de tussenpozen waarin deze worden vastgelegd.
   Een exemplaar van de bepalingen van de nationale wetgeving die op dit artikel betrekking hebben en van de desbetreffende collectieve overeenkomsten dient aan boord te worden bewaard en dienen gemakkelijk toegankelijk te zijn voor de bemanning.
   De in dit artikel bedoelde gegevens dienen met passende tussenpozen onderzocht en bekrachtigd te worden, om na te gaan of de bepalingen inzake de arbeids- en de rusttijden waarop dit artikel betrekking heeft, worden nageleefd.
   § 6. Indien een zeevarende wordt opgeroepen, bijvoorbeeld wanneer een machinepost onbemand is, krijgt de zeevarende een voldoende compenserende rusttijd indien de normale rusttijd verstoord is omdat hij wordt opgeroepen om te werken.
   § 7. Ongeacht de voorschriften in paragrafen 2 tot en met 6, is de kapitein van een schip bevoegd om een zeevarende werkuren te laten presteren die noodzakelijk zijn voor de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord of de lading, of om hulp te bieden aan andere schepen of personen die op zee in nood verkeren.
   De kapitein kan dienovereenkomstig de rustregeling opschorten en een zeevarende de nodige werkuren laten presteren totdat de normale situatie is hersteld.
   Van zodra het mogelijk is nadat de normale situatie is hersteld, zorgt de kapitein ervoor dat de zeevarenden die tijdens een geplande rusttijd hebben gewerkt, een passende rusttijd krijgen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 32, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 11. Aan de functienormen en andere bepalingen die zijn vermeld in sectie A-I/12 van de STCW-code alsook aan de verdere eisen die in deel A van de STCW-code worden voorgeschreven met betrekking tot een desbetreffend vaarbevoegdheidsbewijs wordt voldaan inzake :
  a) elke opleiding waarvan het gebruik van een simulator verplicht is;
  b) elke beoordeling van bekwaamheid vereist krachtens deel A van de STCW-code die met behulp van een simulator wordt gedaan, en
  c) elk aantonen van bekwaamheid bij voortduring, met behulp van een simulator, zoals vereist in deel A van de STCW-code.

  Art. 12.§ 1. In buitengewoon dringende omstandigheden kunnen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien dit naar hun oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaalde zeevarende wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald zeeschip dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het [1 vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheids-bewijs]1 bezit - maar niet in de hoedanigheid van radio-operator, behalve zoals is bepaald in artikel 47 van het radioreglement - mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen, zulks ter beoordeling van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn. Niettemin worden geen dispensaties verleend aan kapiteins of hoofdwerktuigkundigen, behalve ingeval van overmacht en dan nog slechts voor de kortst mogelijke tijd.
  § 2. Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste [1 vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheids-bewijs]1 bezit voor de functie onmiddellijk daaronder.
  Indien geen [1 vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheids-bewijs]1 is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, mits aan een dergelijk persoon, indien hij/zij het [1 vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheids-bewijs]1 niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij/zij met goed gevolg een test aflegt die door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven.
  Bovendien dragen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn er zorg voor dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een [1 vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheids-bewijs]1 bezit.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 13.§ 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, wijzen de instanties aan die de in artikel 3 bedoelde opleiding verstrekken en waar nodig de examens organiseren en/of er toezicht op houden.
  De Minister erkent al dan niet de getuigschriften die door de in het eerste lid aangewezen instanties worden afgeleverd.
  De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, geven [1 de in artikel 5 bedoelde vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheids-bewijzen]1 af en verlenen de in artikel 12 bedoelde dispensatie.
  § 2. Om te worden aangewezen overeenkomstig § 1, eerste lid, richten de instanties een aanvraag tot aanwijzing aan de Minister.
  Bij de aanvraag tot aanwijzing worden alle bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt dat :
  a) alle opleiding en beoordeling van zeevarenden :
  1. gestructureerd wordt volgens geschreven programma's met inbegrip van methoden en hulpmiddelen voor kennisoverdracht, werkwijzen en cursusmateriaal die nodig zijn om het voorgeschreven bekwaamheidspeil te bereiken, en
  2. geleid, begeleid, geëvalueerd en ondersteund wordt door personen die bevoegd zijn overeenkomstig de punten d), e) en f).
  b) personen die zeevarenden tijdens de dienst aan boord van een zeeschip opleiden of beoordelen, dit alleen doen, wanneer deze opleiding of beoordeling geen nadelige invloed heeft op de normale bedrijfsvoering aan boord, en wanneer zij hun tijd en aandacht kunnen besteden aan opleiding of beoordeling;
  c) instructeurs, mentors en beoordelaars de vereiste bevoegdheden hebben voor de specifieke soorten en niveaus van opleiding of beoordeling van bekwaamheid van zeevarenden zowel aan boord als aan de wal;
  d) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan de wal aan een zeevarende een opleiding geeft die bedoeld is gebruikt te worden voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs krachtens dit besluit :
  1. het opleidingsprogramma op zijn waarde kan beoordelen en inzicht heeft in de specifieke leerdoelen van de bijzondere soort opleiding die wordt gegeven;
  2. bevoegd is voor de taak waarvoor de opleiding wordt gegeven, en
  3. indien hij bij het geven van de opleiding gebruik maakt van een simulator :
  1) alle passende aanwijzingen heeft ontvangen voor het geven van onderricht met betrekking tot het gebruik van simulatoren, en
  2) praktijkervaring heeft opgedaan in de bediening van het gebruikte type simulator.
  e) eenieder die verantwoordelijke is voor het toezicht op de opleiding van een zeevarende tijden de dienst aan boord, die bedoeld is te worden gebruikt voor het verkrijgen van de bevoegdheden vereist voor het verwerven van een vaarbevoegdheidsbewijs, een volledig begrip heeft van het opleidingsprogramma en de specifieke doelstelling van iedere soort opleiding die wordt gegeven;
  f) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan wal een zeevarende op zijn bekwaamheid beoordeelt, welke beoordeling gebruikt zal worden bij de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs :
  1. beschikt over de vereiste mate van kennis en inzicht in de te beoordelen bekwaamheid;
  2. bevoegd is voor de taak waarvoor de beoordeling wordt verricht;
  3. passende aanwijzingen heeft ontvangen over beoordelingsmethoden- en praktijk;
  4. praktijkervaring heeft opgedaan met beoordelen, en
  5. indien bij de beoordeling simulatoren moeten worden gebruikt, praktijkervaring heeft opgedaan met beoordeling op het gebruikte type simulator onder toezicht en naar genoegen van een ervaren beoordelaar.
  g) wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een opleidingscursus, een opleidingsinstelling of een door een opleidingsinstelling verleende bevoegdheid erkennen, als onderdeel van hun gestelde eisen met betrekking tot de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs, vallen de bevoegdheden en opgedane evaring van instructeurs en beoordelaars onder de toepassing van de bepalingen inzake kwaliteitsnormen van artikel 8. Deze bevoegdheden, opgedane ervaring en toepassing van kwaliteitsnormen omvatten een passende opleiding in het geven van onderricht en opleidings- en beoordelingsmethoden en -praktijk en voldoen aan alle van toepassing zijnde eisen van de punten d), e) en f).
  § 3. De aanvraag wordt onderzocht door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  Na het onderzoek bedoeld in het eerste lid nemen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een beslissing.
  Wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, de aanwijzing van een instantie weigeren, delen zij hun beslissing bij een ter post aangetekende brief mee aan de betrokken instantie.
  In het geval waarin de aanwijzing wordt geweigerd, kan door de instantie beroep worden ingesteld bij de Minister. Het beroep wordt ingesteld bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van weigering en moet met redenen omkleed zijn.
  De Minister beslist binnen 60 dagen na de ontvangst van het beroep. De beslissing van de Minister wordt ter kennis gebracht van de instantie.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 14.[1 § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 15 en 16, is dit artikel van toepassing voor erkenningen van vaarbevoegdheidsbewijzen of bekwaamheidsbewijzen voor zeevarenden die :
   a) onderdaan van een lidstaat zijn en opgeleid zijn en van een lidstaat de opleiding en het bekwaamheidsbewijs hebben ontvangen ten minste overeenkomstig de in bijlage I bij Richtlijn 2008/106/EG vastgelegde eisen;
   b) onderdaan van een derde land zijn en houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bekwaamheidsbewijs.
   § 2. Het Directoraat erkent vaarbevoegdheidsbewijzen of andere bekwaamheidsbewijzen die overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2008/106/EG zijn afgegeven door een andere lidstaat.
   § 3. De erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en verantwoordelijkheidsniveaus en gaat vergezeld van een officiële verklaring ten bewijze van deze erkenning.
   § 4. Het Directoraat ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een passende kennis van het zeerecht van die lidstaat met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 15.§ 1. [1 Zeevarenden die niet in het bezit zijn van een in artikel 5 afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs noch van een door de overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van het STCW-verdrag aan kapiteins en officieren afgegeven bekwaamheidsbewijs, kunnen op schepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren dienst doen, indien er over de erkenning van hun vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijs een besluit is genomen overeenkomstig de in dit artikel uiteengezette procedure :]1
  a) indien het Directoraat voornemens is door middel van een officiële verklaring, de door een derde land afgegeven [1 vaarbevoegdheidbewijzen en/of bekwaamheidsbewijzen]1 voor kapiteins, officieren of radio-operators te erkennen voor dienst op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, dient het Directoraat bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek om erkenning van dat derde land in;
  b) [1 Het Directoraat kan besluiten het derde land eenzijdig te erkennen totdat een besluit over het verzoek om erkenning van dat derde land bedoeld in a) is genomen door de Commissie;]1
  c) het Directoraat kan met betrekking tot zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, besluiten door middel van een officiële verklaring vaarbevoegdheidsbewijzen te bevestigen die zijn afgegeven door derde landen die door de Commissie zijn erkend, rekening houdend met het bepaalde sub d) in deze paragraaf en met de bepalingen in punt 3 van bijlage II;
  d) de vaarbevoegdheidsbewijzen voor functies op managementniveau van zeevarenden die niet beschikken over de vereiste kennis van de Belgische zeevaartwetgeving worden, voorzover van toepassing, niet bevestigd.
  [1 § 1/1. Het BIPT kan, voor een zeevarende die niet in het bezit is van een in artikel 5, § 4, bedoelde vaarbevoegdheidbewijs en/of bekwaamheidsbewijs voor radio-operators om op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren dienst te doen, overgaan tot de in paragraaf 1 uiteengezette procedure.]1
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 5, § 6, mogen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien de omstandigheden dit vereisen, een zeevarende toestaan om dienst te doen in een hoedanigheid niet zijnde die van radio-officier of radio-operator (tenzij het radioreglement hierin voorziet), gedurende een periode van ten hoogste drie maanden aan boord van een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs, voorzien van een officiële verklaring, afgegeven onder de voorschriften van een derde land, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn die dit tot een passend vaarbevoegdheidsbewijs maken voor het dienst doen aan boord van een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren. Er moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een officiële verklaring bij de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, is ingediend.
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16. § 1. Wanneer het Directoraat, ongeacht de in bijlage II vermelde criteria, van oordeel is dat een erkend derde land niet langer aan de eisen van het STCW-verdrag voldoet, stelt het de Commissie hiervan onverwijld in kennis, met vermelding van de redenen die het Directoraat tot dit oordeel hebben gebracht.
  § 2. Wanneer het Directoraat voornemens is de officiële verklaring van alle door een derde land afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen in te trekken, stelt het onverwijld de Commissie en de overige lidstaten in kennis van dit voornemen en de redenen die het daartoe hebben geleid.
  § 3. De officiële verklaringen ten bewijze van erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die overeenkomstig artikel 5, § 6, zijn afgegeven vóór de datum van het besluit tot intrekking door de Commissie van de erkenning van het derde land, blijven geldig. Houders van een dergelijke officiële verklaring komen echter niet in aanmerking voor een officiële verklaring van een hogere kwalificatie, tenzij een dergelijke opwaardering berust op aanvullende beroepservaring opgedaan op zee.

  Art. 16/1. [1 Het Directoraat verstrekt de Commissie de in bijlage VI genoemde gegevens uitsluitend voor statistische doeleinden. Deze gegevens mogen niet worden gebruikt voor administratieve, juridische of controledoeleinden, en zijn uitsluitend bestemd voor beleidsvorming door de lidstaten en de Commissie.
   Het Directoraat stelt deze gegevens jaarlijks aan de Commissie ter beschikking in een elektronisch formaat; deze gegevens zullen de informatie omvatten die tot en met 31 december van het vorige jaar werd geregistreerd. Alle eigendomsrechten op de gegevens in hun onbewerkte versie worden behouden. Op de grondslag van deze gegevens opgestelde statistieken worden algemeen beschikbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen inzake transparantie en bescherming van informatie in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1406/202.
   Ten einde de bescherming van persoonsgegevens zeker te stellen wordt alle persoonlijke informatie als aangegeven in bijlage VI geanominiseerd door middel van door de Commissie vertrekte of goedgekeurd software, alvorens deze aan de Commissie te zenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  HOOFDSTUK 1/1. [1 - Intoxicatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16/2. [1 Vaststellingsbevoegdheid
   De officieren van gerechtelijke politie die hulpofficier zijn van de procureur des Konings, het personeel van het operationeel kader van de federale en lokale politie kunnen een ademtest of een ademanalyse, zoals gedefinieerd in artikel 16/3, § 1, een speekseltest, zoals gedefinieerd in artikel 16/4, § 1, een speekselanalyse zoals gedefinieerd in artikel 16/5 en een bloedanalyse, zoals gedefinieerd in artikel 16/6 opleggen aan zeevarenden, in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs, bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit, die actief dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16/3. [1 Alcoholopname : ademtest, ademanalyse en tijdelijk verbod
   § 1. De overheidsagenten bedoeld in artikel 16/2 kunnen een ademtest opleggen die erin bestaat te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft. De overheidsagenten kunnen in dezelfde omstandigheden, zonder voorafgaande ademtest, een ademanalyse opleggen, die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.
   § 2. Op verzoek van de in artikel 16/2 bedoelde personen aan wie een ademanalyse werd opgelegd, wordt onmiddellijk een tweede analyse uitgevoerd en, indien het verschil tussen deze twee resultaten meer bedraagt dan de door de Koning vastgestelde nauwkeurigheidsvoorschriften, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen, een derde analyse.
   Indien het eventuele verschil tussen twee van deze resultaten niet meer bedraagt dan de hierboven bepaalde nauwkeurigheidsvoorschriften, wordt het laagste resultaat in aanmerking genomen.
   Indien het verschil groter is, wordt de ademanalyse als niet uitgevoerd beschouwd.
   § 3. De toestellen gebruikt voor de ademtest en voor de ademanalyse moeten gehomologeerd zijn, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen uit het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen.
   § 4. Er wordt een ademanalyse verricht wanneer de ademtest een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
   § 5. Het actief dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren is verboden aan iedere persoon voor de duur van drie uren te rekenen vanaf de vaststelling :
   a) wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht;
   b) wanneer de ademanalyse niet uigevoerd kan worden en de ademtest een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht aangeeft.
   § 6. Het actief dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren is verboden voor de duur van zes uren te rekenen vanaf de vaststelling :
   a) wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet;
   b) wanneer de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet;
   c) in geval van weigering van de ademtest of van de ademanalyse.
   § 7. Wanneer, wegens een andere reden dan de weigering, noch de ademtest noch de ademanalyse kunnen worden uitgevoerd en de persoon die actief dienst deed op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren duidelijk tekenen van alcoholopname vertoont, dan is het hem verboden voor de duur van zes uren, te rekenen vanaf de vaststelling, om actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren.
   Wanneer wegens een andere reden dan de weigering noch de ademtest noch de ademanalyse kunnen worden uitgevoerd en de persoon die actief dienst deed op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, zich blijkbaar bevindt in staat van intoxicatie, dan is het hem verboden voor de duur van twaalf uren, te rekenen vanaf de vaststelling, om actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren.
   § 8. Vooraleer aan de persoon wordt toegestaan opnieuw actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, wordt hem, in de gevallen bedoeld in de paragrafen 6 en 7, een nieuwe ademanalyse of ademtest opgelegd.
   In het geval deze ademanalyse of ademtest een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of in geval van weigering zich hieraan te onderwerpen, wordt het verbod om actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren verlengd met een periode van zes uren, te rekenen vanaf de nieuwe ademanalyse of de ademtest of de weigering.
   In het geval evenwel deze ademanalyse of ademtest een alcoholconcentratie meet van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt het verbod om actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren verlengd met een periode van drie uren, te rekenen vanaf de nieuwe ademanalyse of ademtest.
   Wanneer noch de ademtest noch de ademanalyse kunnen worden uitgevoerd zoals bepaald in de gevallen bedoeld in paragraaf 7, wordt het verbod om actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, naargelang het geval, met dezelfde periode verlengd.
   De bepalingen van paragraaf 2 en artikel 16/6 zijn hierbij niet van toepassing.
   § 9. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de toepassing van andere wettelijke bepalingen betreffende de beteugeling van de openbare dronkenschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16/4. [1 Andere stoffen die de uitvoering van opdrachten aan boord beïnvloeden : speekseltest en tijdelijk verbod
   § 1. De test voor het detecteren van stoffen die de uitvoering van opdrachten aan boord beïnvloeden bestaat uit :
   a) eerst het vaststellen van indicaties van tekenen van recent gebruik van één van volgende stoffen :
   - Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC)
   - Amfetamine
   - Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA)
   - Morfine of 6-acetylmorfin
   - Cocaïne of benzoylecgonine
   aan de hand van een gestandaardiseerde checklist, waarvan de nadere toepassingsregels en het model door de Koning zijn bepaald in het koninklijk besluit van 17 september 2010 betreffende het model en de toepassingsregels van de gestandaardiseerde checklist tot vaststelling van indicaties van tekenen van recent druggebruik in het verkeer;
   b) vervolgens, indien de gestandaardiseerde checklist bedoeld in a), een indicatie geeft van tekenen van recent gebruik van een van de stoffen bedoeld in a), het afnemen van een speekseltest.
   Onder de hieronder vermelde gehaltes wordt het resultaat van de speekseltest niet in aanmerking genomen :
  

  

Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 25
Amfetamine 50
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 50
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 10
Cocaïne of Benzoylecgonine 20

§ 2. Het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor het invullen van de gestandaardiseerde checklist en voor het afnemen van de speekseltest moet zich beperken tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de overtredingen uit dit hoofdstuk. Deze gegevens mogen slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van deze overtredingen.
   De kosten van de speekseltest zijn ten laste van de onderzochte persoon indien bewezen is dat het gehalte van de stoffen aangegeven in paragraaf 1, b), bewezen is.
   § 3. Het actief dienst doen op zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren is verboden aan iedere persoon gedurende twaalf uur vanaf de vaststelling :
   a) wanneer de speekseltest de aanwezigheid in het organisme aantoont van minstens één van de stoffen bepaald in paragraaf 1, b) in een gehalte dat gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in dezelfde paragraaf;
   b) in geval van weigering van de speekseltest of speekselanalyse zonder wettige reden;
   c) in geval van een weigering van de speekseltest omwille van een wettige reden of omwille van een praktische onmogelijkheid voldoende speeksel te collecteren, noch een speekseltest noch een speekselanalyse kon worden uitgevoerd en de gestandaardiseerde checklist bedoeld in paragraaf 1, a), een indicatie geeft van tekenen van recent gebruik van één van de stoffen bedoeld in paragraaf 1, b);
   d) in geval het resultaat van de speekseltest negatief is en betrokkene zich blijkbaar bevindt in staat van intoxicatie.
   § 4. Vooraleer aan de persoon wordt toegestaan opnieuw actief dienst te doen op een zeeschip dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, wordt hem een nieuwe speekseltest, bedoeld in paragraaf 1, b), opgelegd, zonder de gestandaardiseerde checklist bedoeld in paragraaf 1, a), te overlopen.
   Het verbod bedoeld in artikel 16/4, § 3, wordt telkens hernieuwd voor een periode van twaalf uur :
   a) wanneer de speekseltest de aanwezigheid in het organisme aantoont van één van de stoffen bepaald in paragraaf 1, b), in een gehalte dat gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in hetzelfde artikel;
   b) in geval van weigering van deze speekseltest;
   c) in geval van weigering van de speekseltest omwille van een wettige reden of ingeval van een praktische onmogelijkheid voldoende speeksel te collecteren, en de gestandaardiseerde checklist, bedoeld in paragraaf 1, a), die in dit geval wordt overlopen, een indicatie geeft van tekenen van recent gebruik van een van de stoffen bedoeld in paragraaf 1, b);
   d) in geval het resultaat van de speekseltest negatief is en betrokkene zich blijkbaar bevindt in staat van intoxicatie.
   § 5. Wanneer de persoon een wettige reden inroept voor het weigeren van de speekseltest of de speekselanalyse, vorderen de in artikel 16/2 bedoelde overheidsagenten een geneesheer om het ingeroepen motief te beoordelen.
   De inhoud van de wettige reden mag door de geneesheer niet worden onthuld als ze door het medisch geheim wordt gedekt.
   De kosten voor de tussenkomst van de geneesheer zijn ten laste van de onderzochte persoon indien de in het eerste lid bedoelde weigering niet gegrond was.
   De praktische onmogelijkheid voldoende speeksel te collecteren om de speekseltest of de speekselanalyse uit te voeren wordt niet beschouwd als een vorm van weigering. De kosten van de speekseltest zijn ten laste van de onderzochte persoon indien de overtreding bepaald in artikel 16/4, § 1, door middel van een bloedanalyse bewezen is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16/5. [1 Speekselanalyse
   § 1. De in artikel 16/2 bedoelde overheidsagenten leggen een speekselanalyse voor het detecteren van de stoffen die de uitvoering van de opdrachten aan boord beïnvloeden op wanneer de speekseltest bedoeld artikel 16/4, § 1, de aanwezigheid aantoont van één van de stoffen bedoeld in artikel 16/4, § 1, b).
   Onder de hieronder vermelde gehaltes wordt het resultaat van de speekselanalyse niet in aanmerking genomen :
  

  

Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 10
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) of 6-acetylmorfine 5
Cocaïne of Benzoylecgonine 10

§ 2. De kosten van de speekselanalyse zijn ten laste van de onderzochte persoon indien de overtreding bepaald in artikel 16/4, § 1, b), bewezen is.
   § 3. De analyse van het speekselstaal geschiedt in een van de laboratoria die daartoe door de Koning erkend zijn in uitvoering van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
   De persoon van wie het speekselstaal is afgenomen, kan op eigen kosten een tweede speekselanalyse laten verrichten in het laboratorium waar het eerste heeft plaatsgehad, of in een ander door de Koning erkend laboratorium. In het eerste geval kan hij op de tweede analyse toezicht laten houden door een technisch raadsman van zijn keuze.
   De bepalingen tot nadere regeling van de speekselanalyse voor het wegverkeer zijn eveneens van toepassing bij de uitvoering van dit reglement.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 16/6. [1 Bloedanalyse
   § 1. De in artikel 16/2 bedoelde overheidsagenten laten de in dat artikel bedoelde personen, een bloedproef ondergaan door een daartoe opgevorderde geneesheer :
   a) in het geval de ademtest een alcoholgehalte van ten minste 0,22 milligram aangeeft per liter uitgeademde alveolaire lucht en een ademanalyse niet uitgevoerd kan worden;
   b) in het geval noch de ademtest noch de ademanalyse uitgevoerd konden worden en betrokkene duidelijke tekenen van alcoholopname vertoont of zich blijkbaar bevindt in de toestand bedoeld in artikel 16/3, § 7;
   c) in het geval noch de ademtest noch de ademanalyse uitgevoerd konden worden bij de personen bedoeld in artikel 16/2 en het onmogelijk is na te gaan of er tekenen van alcoholopname zijn;
   d) indien de speekseltest minstens één van de stoffen detecteert bedoeld in artikel 16/4, § 1, a) in een gehalte dat gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in de tabel van dezelfde paragraaf, en een speekselanalyse niet uitgevoerd kan worden;
   e) in het geval noch een speekseltest noch een speekselanalyse kon worden uitgevoerd.
   § 2. In het geval van paragraaf 1, d) en e), bestaat de bloedanalyse uit een kwantitatieve bepaling op plasma door middel van gas- of vloeistofchromatografie-massaspectrometrie met gebruik van gedeutereerde interne standaarden voor een of meerdere van de navolgende stoffen.
   Onder het overeenstemmende gehalte wordt de analyse niet in aanmerking genomen :
  

  

Stof Gehalte (ng/ml)
Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) 1
Amfetamine 25
Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) 25
Morfine (vrij) 10
Cocaïne of Benzoylecgonine 25

§ 3. De in artikel 16/2 bedoelde overheidsagenten moeten op verzoek van de personen van hetzelfde artikel, en bij wijze van tegenexpertise, deze personen een bloedproef laten ondergaan door een daartoe opgevorderde geneesheer indien de ademanalyse, bekomen na toepassing van artikel 16/3, een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet.
   § 4. De kosten van het nemen van het bloedstaal en van de bloedanalyse komen ten laste van de onderzochte persoon :
   a) indien de overtreding bepaald in artikel 16/3, § 6, a), bewezen is, of
   b) indien de overtreding bepaald in artikel 16/4, § 1, b), bewezen is.
   § 5. Het inzamelen van de gegevens van de bloedproef bedoeld in paragraaf 1, d) en e), beperkt zich tot deze die strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de overtredingen van dit hoofdstuk. Deze gegevens mogen slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van deze overtredingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  HOOFDSTUK I/2. [1 - Scheepskok.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/7. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk betekent "schip" : een schip anders dan een schip dat uitsluitend vaart op binnenwateren of wateren binnen, of dicht grenzend aan, beschutte wateren of gebieden waar havenvoorschriften gelden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/8. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die toebehoren aan openbare instellingen of privé-instellingen, die doorgaans worden gebruikt voor commerciële activiteiten, met uitzondering van schepen die worden gebruikt voor de visvangst of voor soortgelijke doeleinden en van traditioneel gebouwde schepen zoals dhows en jonken. Dit besluit is niet van toepassing op oorlogsschepen of marinehulpschepen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/9. [1 Met het oog op de toepassing van paragrafen 3 en 4 van norm A3.2 van MLC 2006 is de zeevarende die wordt tewerkgesteld als scheepskok in het bezit van een geldig certificaat van kwalificatie voor scheepskok uitgegeven overeenkomstig de bepalingen van dit besluit of van een overeenkomstig dit besluit uitgegeven verklaring van erkenning van een certificaat van kwalificatie voor scheepskok afkomstig van een bevoegde overheid van een Staat die Partij is bij MLC 2006.
   Onverminderd het eerste lid, toont de in het eerste lid bedoelde scheepskok die buitengaats dienst doet of van plan is na een periode aan de wal naar zee terug te keren, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, aan dat hij bij voortduring vakbekwaam is in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/II van de STCW-code voor zover ze relevant zijn voor de functie van scheepskok.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/10. [1 De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld geven een certificaat van kwalificatie voor scheepskok uit aan de kandidaat scheepskok voor een schip dat de Belgische vlag voert indien de voorwaarden bepaald in punt 1 van bijlage V vervult zijn. Het certificaat van kwalificatie voor scheepskok heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Het wordt opgemaakt volgens het in Bijlage V/2 bepaalde model.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/11. [1 De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld geven een officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok uit aan de kandidaat scheepskok voor een schip dat de Belgische vlag voert indien de voorwaarden bepaald in punt 2 van bijlage V vervult zijn. De officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Ze wordt opgemaakt volgens het in Bijlage V/3 bepaalde model.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/12. [1 De met de scheepvaartcontrole belaste dienst kan vrijstellingen verlenen bedoeld in paragraaf 5 van norm A3.2 van MLC 2006.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/13. [1 De met de scheepvaartcontrole belaste dienst kan vrijstellingen verlenen bedoeld in paragraaf 6 van norm A3.2 van MLC 2006.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/14. [1 De bepalingen van artikel 5, § 7 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de certificaten en officiële verklaringen bedoeld in dit Hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. 16/15. [1 De bepalingen van artikel 8, § 1 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op alle werkzaamheden betreffende de uitvoering van dit hoofdstuk door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst of door instellingen die een opleiding verstrekken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.

  Art. 17. Artikel 1, punt 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 28 maart 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 29 februari 2004 en van 19 maart 2004 wordt aangevuld als volgt :
  "maatschappij" : de reder van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het schip leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het schip heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd.".

  Art. 18. Artikel 90, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984 en 23 oktober 2001, wordt vervangen als volgt :
  "3° zeevarenden die dienst doen op een schip als bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden beschikken over een vaarbevoegdheidsbewijs in overeenstemming met hetzelfde besluit; ".

  Art. 19. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 98bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 98bis. Communicatie aan boord.
  § 1. Onverminderd het bepaalde in de paragrafen 2 en 4, aan boord van alle zeeschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, zijn te allen tijde manieren beschikbaar voor een doelmatige mondelinge communicatie tussen alle bemanningsleden van het schip over veiligheidsaspecten, met name dat boodschappen en instructies tijdig overkomen en juist worden begrepen.
  § 2. Op alle passagierschepen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren en op alle passagierschepen die een reis aanvangen en/of beëindigen in een Belgische haven, met het oog op een doeltreffend optreden van de bemanningsleden waar het om veiligheid gaat, wordt een werktaal vastgesteld die in het scheepsdagboek wordt opgetekend.
  De maatschappij, of eventueel de kapitein, bepaalt de passende werktaal. Van elke zeevarende wordt verlangd deze taal te begrijpen, en, in voorkomend geval, in die taal bevelen en instructies te geven en te rapporteren.
  Indien de werktaal geen officiële taal is van de lidstaat, bevatten alle op te hangen plannen en lijsten een vertaling in de werktaal.
  § 3. Aan boord van passagierschepen is het personeel, dat op de alarmrol is aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, duidelijk herkenbaar en beschikt het over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden, rekening houdend met een relevante en geschikte combinatie van één van de volgende criteria :
  1) de taal of talen behorende bij de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;
  2) de waarschijnlijkheid dat het vermogen om een Engelse basiswoordenschat te gebruiken voor elementaire instructies kan dienen als een middel om te communiceren met een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en het bemanningslid een gemeenschappelijke taal gemeen hebben;
  3) de mogelijke noodzaak om in een noodsituatie via enig ander middel te communiceren (bijvoorbeeld voordoen, handgebaren, of het aanduiden van de plaats waar zich instructies, verzamelplaatsen, reddingsmiddelen of ontsnappingsroutes bevinden) wanneer niet mondeling kan worden gecommuniceerd;
  4) de mate waarin aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt, en
  5) de talen waarin de noodinstructies tijdens een noodsituatie of oefeningen worden omgeroepen, teneinde de passagiers vitale aanwijzingen te geven en het voor de bemanning mogelijk te maken om de passagiers bij staan.
  § 4. Aan boord van olietankers, chemicaliëntankers en vloeibaargastankers, die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, zijn de kapitein, de officieren en scheepsgezellen in staat met elkaar te communiceren in één of meer gemeenschappelijke werktalen.
  § 5. Er zijn passende middelen voor communicatie tussen het schip en de autoriteiten aan de wal. Deze communicatie geschiedt in overeenstemming met hoofdstuk V, voorschrift 14, lid 4, van het SOLAS-verdrag.
  § 6. Wanneer de met de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn krachtens het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement havenstaatcontrole uitvoeren, gaan zij ook na dat schepen die gerechtigd zijn onder de vlag van een andere staat dan een lidstaat te varen aan de bepalingen van dit artikel voldoen."

  Art. 20. Artikel 102 van hetzelfde besluit gewijzigd door de koninklijke besluiten van 24 november 1978 en van 29 februari 2004, wordt vervangen als volgt :
  "Artikel 102. Certificaten van medische geschiktheid.
  1. Elk bemanningslid is in het bezit van een certificaat van medische geschiktheid waaruit blijkt dat hij medisch geschikt is voor de hem opgedragen werkzaamheden.
  Onverminderd het bepaalde in punt 2, heeft het certificaat van medische geschiktheid een maximumgeldigheidsduur heeft van twaalf maanden.
  2. Het certificaat van medische geschiktheid wordt vlak vóór de aanmonstering alsook op eerste verzoek getoond.
  Op het moment van de aanmonstering moet het certificaat van medische geschiktheid nog minstens twee maanden geldig zijn. Het certificaat van medische geschiktheid blijft geldig tot op het einde van de zeereis waarvoor werd aangemonsterd.
  3. Die certificaten worden opgesteld en afgeleverd zoals bepaald in bijlage XX van hetzelfde besluit.
  4. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn mogen zich tegen de inscheping verzetten van elk bemanningslid waarvan de gezondheidstoestand een gevaar voor de andere ingescheepte personen kan opleveren."

  Art. 21. In Hoofdstuk X van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 7 januari 1998, 23 oktober 2001 en 29 februari 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het opschrift van hoofdstuk X wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk X. - Verplichtingen van de eigenaar, de kapitein en de maatschappijen".
  2° In artikel 115 worden de woorden "de eigenaar en de kapitein" vervangen door de woorden "de eigenaar, de kapitein en de maatschappijen,".
  3° Een § 3 wordt toegevoegd, luidende als volgt :
  "§ 3. Verantwoordelijkheden van de maatschappijen
  Art. 157bis. 1. De maatschappijen zijn verantwoordelijk voor de aanstelling van zeevarenden op hun schepen in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.
  Elke maatschappij vergewist zich ervan dat :
  a) elke zeevarende, aangesteld op één van haar schepen in het bezit is van een passend vaarbevoegdheidsbewijs in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden;
  b) haar schepen bemand zijn overeenkomstig de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van;
  c) documentatie en gegevens met betrekking tot alle zeevarenden die op haar schepen zijn tewerkgesteld, worden bijgehouden en direct beschikbaar zijn en, zonder overigens andere gegevens uit te sluiten, documentatie en andere gegevens betreffende hun gedane ervaring, opleiding, geschiktheid uit medisch oogpunt en bekwaamheid in opgedragen taken bevatten;
  d) zeevarenden na hun aanstelling op één van haar schepen vertrouwd worden gemaakt met hun specifieke taken en met alle regelingen, installaties, uitrusting, procedures en kenmerken van het zeeschip die verband houden met hun taken onder normale omstandigheden of in noodsituaties;
  e) de voltallige bemanning van het schip in een noodsituatie en bij het vervullen van functies die van vitaal belang zijn voor de veiligheid of voor het voorkomen of verminderen van verontreiniging, haar werkzaamheden, doeltreffend kan coördineren.
  2. De maatschappijen, kapiteins en bemanningsleden hebben ieder voor zich tot taak zich ervan te vergewissen dat aan de in dit artikel vermelde verplichtingen volledig wordt voldaan en uitvoering gegeven en dat zodanige maatregelen als verder nodig mochten zijn, genomen worden om ervoor te zorgen dat ieder bemanningslid met kennis van zaken en goed geïnformeerd een bijdrage kan leveren tot een veilige bedrijfsvoering aan boord.
  3. De maatschappij voorziet de kapitein van elk zeeschip waarop het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden van toepassing is, van schriftelijke instructies waarin de beleidslijnen en procedures beschreven staan die worden gevolgd om ervoor te zorgen dat alle nieuw aangestelde zeevarenden aan boord van het schip behoorlijk de gelegenheid krijgen zicht vertrouwd te maken met de uitrusting van het schip, de werkmethoden en andere regelingen die nodig zijn voor een juiste uitvoering van hun taken, voordat die taken hun worden toegewezen. Genoemde beleidslijnen en procedures omvatten :
  a) het toewijzen van een redelijke periode gedurende welke iedere nieuw aangeworven zeevarende de gelegenheid krijgt om zich vertrouwd te maken met :
  i. de specifieke uitrusting die hij zal gebruiken of bedienen, en
  ii. de specifieke wachtloop-, veiligheids-, milieubescherming- en noodprocedures en -regelingen van het schip die hij moet kennen om de hem toegewezen taken naar behoren te kunnen vervullen, en
  b) het aanwijzen van een deskundig bemanningslid die tot taak zal hebben ervoor te zorgen dat iedere nieuw aangeworven zeevarende de gelegenheid krijgt om essentiële informatie te ontvangen in een voor die zeevarende begrijpelijke taal."

  Art. 22. Bijlage XX bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 7 januari 1998, 23 oktober 2001 en 29 februari 2004, wordt vervangen overeenkomstig het bepaalde in bijlage III bij dit besluit.

  Art. 23. Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984 en 23 oktober 2001, wordt aangevuld overeenkomstig het bepaalde in bijlage IV bij dit besluit.

  HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.

  Art. 24. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 januari 2003 en 25 oktober 2004 wordt aangevuld als volgt :
  "(l) "passend vaarbevoegdheidsbewijs" : een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring, in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid, en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau op een schip van het desbetreffende type, tonnage, vermogen en wijze van voortstuwing, tijdens de desbetreffende zeereis.
  (m) "STCW-code" : de code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden (STCW-code), zoals aangenomen bij Resolutie 2 van de STCW-Conferentie van 1995 van de partijen bij het STCW 78, in de meest recente versie."

  Art. 25. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt aangevuld als volgt :
  "3) onderzoekt of alle aan boord dienst doende zeevarenden die in het bezit moeten zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig de bepalingen van het STCW 78, een passend vaarbevoegdheidsbewijs of een geldige dispensatie bezitten of een schriftelijk bewijs kunnen voorleggen waaruit blijkt dat een aanvraag om officiële verklaring van erkenning bij de autoriteiten van de vlaggenstaat is ingediend.
  4) onderzoekt of de aantallen en de vaarbevoegdheidsbewijzen van de aan boord dienst doende zeevarende voldoen aan de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van schepen van de autoriteiten van de vlaggenstaat."
  2° § 3 wordt aangevuld als volgt :
  "Wanneer het na de in § 1, 3) en 4), bedoelde onderzoeken of na de in § 2 bedoelde controle, aannemelijk is dat de normen voorgeschreven door het STCW 78 niet worden nageleefd omdat zich één van de feiten vermeld in hoofdstuk IIIbis van bijlage I heeft voorgedaan, vindt de beoordeling van de geschiktheid van zeevarenden van het schip om zich te houden aan de normen inzake wachtdienst, als voorgeschreven in het STCW 78 plaats, in overeenstemming met deel A van de STCW-code.
  Onverminderd de verificatie van het vaarbevoegdheidsbewijs, kan de beoordeling krachtens het voorgaande lid, eisen dat de zeevarende de betreffende bekwaamheid op de plaats waar hij dienst doet, aantoont. Zo'n beoordeling kan mede inhouden dat nagegaan wordt of de voor wachtdienst geldende operationele normen zijn nageleefd en of de zeevarende binnen zijn bevoegdheid adequaat op noodsituaties reageert."

  Art. 26. In bijlage I van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998, 21 juni 2001 en 31 januari 2003, wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd luidende :
  "Hoofdstuk IIIbis. - Feiten die aanleiding geven tot de beoordeling bedoeld in artikel 4, § 3, 4e lid :
  1. het schip is bij een aanvaring betrokken geweest, is aan de grond gelopen of gestrand, of
  2. er heeft lozing van de stoffen vanuit het schip plaatsgevonden terwijl het varende was, voor anker lag of aangemeerd was, welke lozing onrechtmachtig is krachtens internationale verdragen, of
  3. er is met het schip gemanoeuvreerd op een grillige of onveilige wijze, waarbij de door de IMO aangenomen routeringsmaatregelen of veilige navigatiemethoden en -procedures niet in acht zijn genomen, of
  4. de bedrijfsvoering aan boord geschiedt anderszins op zodanige wijze dat het schip een gevaar vormt voor personen, zaken of het milieu, of
  5. een vaarbevoegdheidsbewijs is op onrechtmatige wijze verkregen of de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs is niet de persoon aan wie dat bewijs aanvankelijk werd afgegeven, of
  6. het schip voert de vlag van een land dat het STCW 78 niet heeft bekrachtigd, of heeft een kapitein, officieren of scheepsgezellen die vaarbevoegdheidsbewijzen bezitten welke zijn afgegeven door een derde land dat het STCW 78 niet heeft bekrachtigd."

  Art. 27. In hoofdstuk VI van bijlage I bij hetzelfde besluit wordt punt 3.8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 1998, vervangen als volgt :
  "3.8. Werkingssfeer van het STCW 78
  De volgende gebreken vormen, in zoverre de inspecteur heeft vastgesteld dat zij een gevaar vormen voor personen, zaken of het milieu, de enige gronden krachtens het besluit waarop een inspecteur een schip zal aanhouden :
  a) zeevarenden zijn niet in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs, een passend vaarbevoegdheidsbewijs of een geldige dispensatie of kunnen geen schriftelijk bewijs overleggen dat een aanvraag om een officiële verklaring van erkenning bij de betrokken autoriteiten van de vlaggenstaat is ingediend;
  b) er is niet voldaan aan de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van zeeschepen van de vlaggenstaat;
  c) de regelingen voor de wacht op de brug of de wacht in de machinekamer voldoen niet aan de door de vlaggenstaat voor het schip vastgestelde eisen;
  d) afwezig tijdens een wacht is een persoon die bevoegd is de uitrusting, die noodzakelijk is voor een veilige navigatie, veilige radioverbindingen of het voorkomen van verontreiniging van het zeewater, te bedienen;
  e) het niet kunnen aantonen dat zeevarenden de vereiste beroepsbekwaamheid bezitten voor de hun toegewezen taken in verband met de veiligheid van het schip en de voorkoming van verontreiniging en
  f) het niet in staat zijn aan het begin van de reis en voor de daaropvolgende aflossende wachten te zorgen voor personeel dat voldoende rust heeft genoten en anderszins in goede conditie is om dienst te doen."

  HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 28. Worden opgeheven :
  1° de bepalingen betreffende de koopvaardij vervat in het koninklijk besluit van 21 mei 1958 betreffende de toekenning van brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen in de koopvaardij, de zeevisserij en de pleziervaart, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 juni 1959, 13 februari 1961, 8 april 1964, 10 juni 1965, 18 maart 1966, 17 augustus 1966, 14 maart 1967, 3 augustus 1967, 13 maart 1968, 3 juni 1969, 10 april 1970, 27 januari 1971, 26 maart 1971, 20 juli 1971, 25 oktober 1971, 2 oktober 1972, 28 maart 1974, 2 juli 1975, 11 maart 1977, 21 april 1978, 4 december 1978, 14 januari 1983, 5 april 1983, 10 mei 1984, 10 januari 1986, 4 september 1986, 3 september 1987 en 21 oktober 1993;
  2° het koninklijk besluit van 22 april 1974 tot instelling van een permanente toelating voor gebrevetteerde officieren ter kustvaart om dienst te doen aan boord van koopvaardijschepen ter lange omvaart;
  3° het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1993;
  4° het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 betreffende de brevetten die vereist zijn voor de sleep- en offshorevaart;
  5° de bepalingen betreffende de baggervaart vervat in het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart;
  6° het koninklijk besluit van 30 november 1999 tot uitvoering van Richtlijn 98/35 EG van de Raad van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

  Art. 29. De brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen die werden afgeleverd vóór 1 februari 2002, blijven na die datum geldig als bewijs van beroepsbekwaamheid.

  Art. 29/1. [1 Aan zeevarenden die goedgekeurde diensttijd, een goedgekeurde onderwijs- en opleidingsprogramma of een goedgekeurde cursus hebben aangevat voor 1 juli 2013, kunnen tot 1 januari 2017 vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven, erkent en officieel worden verklaard in overeenstemming met de eisen in dit besluit zoals zij voor 4 juli 2014 waren.
   Tot 1 januari 2017 kunnen vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen worden vernieuwd en de geldigheid ervan worden verlengd in overeenstemming met de eisen in dit besluit zoals zij voor 4 juli 2014 waren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. 30. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 31. Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en Onze Minister van Mobiliteit, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1.[1 Bijlage 1. - Opleidingsvoorschriften van het STCW-verdrag als bedoeld in artikel 3 van dit besluit
   {Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-09-2014, p. 73353-73390)]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-04/12, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. N2. Bijlage II. - Criteria voor de erkenning van derde landen die vaarbevoegdheidsbewijzen hebben afgegeven of in opdracht waarvan vaarbevoegdheidsbewijzen zijn afgegeven, zoals bedoeld in artikel 15, § 1, a).
  1. Het derde land moet partij zijn bij het STCW-verdrag.
  2. Van het derde land moet door de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO zijn vastgesteld dat het volledige uitvoering heeft gegeven aan de bepalingen van het STCW-verdrag.
  3. Het Directoraat is bezig met het sluiten van een overeenkomst waarbij het derde land zich ertoe verbindt het snel in kennis te stellen van alle ingrijpende veranderingen in de regelgeving betreffende opleiding en vaarbevoegdheidsbewijzen die worden verstrekt in overeenstemming met het STCW-verdrag.

  Art. N3. Bijlage III. - "Bijlage XX - Medische keuringen.
  Artikel 1. Erkende geneesheren.
  De keuringen met het oog op het afleveren van het certificaat van medische geschiktheid gebeuren door de geneesheren erkend door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  Indien de keuring gebeurt in een land waar er geen geneesheer erkend door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, beschikbaar is, mag de keuring worden uitgevoerd door een geneesheer die in dat land erkend is voor het afleveren van certificaten van medische geschiktheid zoals bepaald door het STCW-verdrag. Die geneesheer stelt in voorkomend geval een certificaat van medische geschiktheid of een verklaring van medische ongeschiktheid op.
  Art. 2. Aflevering van certificaten van medische geschiktheid.
  1. De erkende geneesheer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, andere dan de behandelende geneesheer van de betrokkene, die een keuring overeenkomstig deze bijlage heeft verricht, levert het certificaat van medische geschiktheid dat conform is met het model opgenomen in bijlage XXIV slechts af indien hij van oordeel is dat de betrokkene medisch geschikt is volgens de medische maatstaven vermeld in het aanhangsel bij deze bijlage overeenkomstig de aan boord uitgeoefende functie van de betrokkene.
  Tevens moet hij van oordeel zijn dat de betrokkene niet lijdt aan een ziekte, een afwijking of een verwonding :
  a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden kan belemmerd worden;
  b. waardoor hij niet altijd in staat is om adequaat te handelen in geval van nood;
  c. die tijdens de uitoefening van zijn functie aan boord kan verergeren, in die zin dat daardoor :
  i. een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of de veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of
  ii. ernstige hinder voor andere personen ontstaat;
  d. die een behandeling vereist, waarbij voortdurend medisch toezicht vereist is of waarbij acuut ingrijpen door een geneesheer noodzakelijk kan worden.
  2. Indien de erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, van oordeel is dat een aanvullend onderzoek nodig is voor de beoordeling van de medische geschiktheid van de betrokkene, kan hij daartoe een geneesheer specialist aanduiden.
  Art. 3. Verklaring van medische ongeschiktheid.
  Indien de erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, van oordeel is dat de betrokkene medisch ongeschikt is, levert hij het certificaat van medische geschiktheid zoals bedoeld in artikel 2 niet af. In dat geval stelt hij een verklaring van medische ongeschiktheid op overeenkomstig het model in bijlage XXIV. De erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, maakt hiervan schriftelijk melding aan de betrokkene en aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  Art. 4. Mogelijkheden tot beroep.
  1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, kunnen in voorkomend geval beroep instellen tegen de aflevering van het certificaat van medische geschiktheid zoals bedoeld in artikel 2, in welk geval de betrokkene zich leent tot een herkeuring.
  De opgelegde herkeuring wordt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn schriftelijk meegedeeld aan de betrokkene en vindt plaats uiterlijk 14 dagen na de mededeling van de opgelegde herkeuring. De opgelegde herkeuring gebeurt gezamenlijk en tegensprekelijk door een erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, aangeduid door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en de geneesheer die het laatste certificaat van medische geschiktheid heeft afgeleverd.
  2. De betrokkene kan tegen de verklaring van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel 3 beroep instellen door uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling van de verklaring van medische ongeschiktheid een tegenonderzoek aan te vragen bij de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  De herkeuring van de betrokkene gebeurt gezamenlijk en tegensprekelijk door een erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, aangeduid door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en de erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, die de verklaring van medische ongeschiktheid heeft opgesteld.
  3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, kunnen, uitzonderlijk, na raadpleging van de voormelde erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, afwijkingen toestaan op de toepassing van de medische maatstaven opgenomen in het aanhangsel bij deze bijlage, voor zover die afwijkingen niet in strijd zijn met de voorschriften van de ter zake van kracht zijnde internationale verdragen. Die afwijkingen worden op het certificaat van medische geschiktheid vermeld.
  4. In geval geen overeenkomst wordt bereikt na de herkeuring, duidt de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer binnen 14 dagen na de herkeuring een derde geneesheer aan met het oog op een aanvullende keuring. Die aanvullende keuring is beslissend en gebeurt uiterlijk binnen 14 dagen na de aanduiding van de derde geneesheer.
  5. De betrokkene kan zich bij de herkeuring en bij de aanvullende keuring laten bijstaan door een geneesheer naar keuze.
  Art. 5. Kosten van de keuringen.
  Alleen de kosten verbonden aan de keuringen bedoeld in artikel 4.1 van deze bijlage worden door de Staat gedragen, zulks onverminderd de bepaling van het laatste lid van artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 april 1965 betreffende de Pool van de zeelieden ter koopvaardij.
  Art. 6. Geldigheidsduur van het certificaat van medische geschiktheid.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 102, blijft het certificaat van medische geschiktheid dat wordt afgeleverd na een keuring door een geneesheer bedoeld in artikel 1, tweede lid, slechts geldig voor een periode van maximaal 3 maanden, tenzij in die periode de geneesheer bedoeld in artikel 1, tweede lid, erkend wordt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  Art. 7. Keuringsprocedure.
  1. De erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, verifieert de identiteit en de leeftijd van de betrokkene aan de hand van de identiteitskaart, het paspoort of het zeemansboekje. Hij noteert het nummer van de identiteitskaart, het paspoort of het zeemansboekje in het medisch dossier en op het certificaat van medische geschiktheid of op de verklaring van medische ongeschiktheid.
  Hij laat zich tevens inlichten over de aard van het werk, de uit te oefenen functie aan boord en het vaargebied waar de betrokkene actief zal zijn.
  2. De betrokkene vult in het bijzijn van de erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, de rubriek "persoonlijke verklaring" in op het keuringsformulier dat conform moet zijn met het model opgenomen in bijlage XXIV. Zowel de betrokkene als de erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, ondertekenen die verklaring.
  3. De erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, ondervraagt de betrokkene over zijn algemene medische voorgeschiedenis, zijn arbeidsgeneeskundige voorgeschiedenis, ongevallen of kwetsuren, zijn psychische gesteldheid en gebruik van medicatie, en tevens over de erfelijke en chronische ziekten in zijn naaste familie.
  Hij voert de keuring bedoeld in artikel 1 uit en noteert de resultaten in de rubriek "medische keuring" op het keuringsformulier dat conform moet zijn met het model opgenomen in bijlage XXIV en ondertekent deze evenals de betrokkene.
  4. Een kopie van het certificaat van medische geschiktheid en van de verklaring van medische ongeschiktheid, alsook het keuringsformulier bedoeld in bijlage XXIV, worden bewaard in de instelling of de praktijk waar het onderzoek heeft plaatsgevonden.
  Art. 8. Vaccinaties.
  De erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid, doet aanbevelingen zoals vermeld op de publicatie "International Travel and Health : Vaccination requirements and health advice" van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de vaccinatiestatus van de betrokkene.
  Aanhangsel bij bijlage XX
  Ziekten en eigenschappen die aanleiding geven tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid
  Niet alle ziektebeelden die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid zijn in de lijst opgenomen.
  De in de lijst opgenomen aandoeningen geven aanleiding tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid dan wel tot het opleggen van beperkingen in het certificaat van medische geschiktheid.
  Voor aandoeningen die niet vermeld zijn, volgt de erkende geneesheer, bedoeld in artikel 1, eerste lid van bijlage XX, de algemene richtlijnen zoals vermeld in artikel 2 van bijlage XX en laat hij zich leiden door de ernst van de aandoening, de prognose, de houding en het inzicht van de betrokkene.
  De medische ongeschiktheid kan tijdelijk (bepaalde duur), voorlopig (onbepaalde duur) of definitief zijn.
  Bij de keuring wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van de betrokkene tot een volledige loopbaan; indien de aandoening dit niet toelaat is dit een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  Bij een ervaren zeevarende wordt rekening gehouden met zijn ervaring en specifieke kennis van het beroep om minder vlug een verklaring van definitieve medische ongeschiktheid op te stellen.
  1. Geneesmiddelen en middelen gebruik
  a. Het gebruik van anticoagulantia, insuline, sulfonylureum derivaten, anti-epileptica of immuunsuppressiva is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid. Slechts in een beroepsprocedure kan incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie, een certificaat van medische geschiktheid afgeleverd worden, met eventueel beperkingen.
  b. Het gebruik van geneesmiddelen met als mogelijke bijwerkingen duizeligheid, verminderd concentratie- en reactievermogen, psychische stoornissen, hypotensie en bradycardie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Wanneer de betrokkene geneesmiddelen gebruikt die met het varen te verenigen zijn, wordt afgewogen of de betrokkene de (neven)werking begrijpt en de voorschriften van zijn behandelende erkende geneesheer bedoeld in artikel 1, eerste lid van bijlage XX, nauwgezet opvolgt, zo niet is dit een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Bij beoordeling van geneesmiddelengebruik wordt overwogen of het plots stoppen van de behandeling gevaar kan opleveren.
  2. Infectieziekten
  a. Alle infectieziekten zijn een reden voor het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid, tot afdoende behandeling heeft plaatsgehad.
  b. Bijzondere aandacht is vereist bij het personeel dat betrokken is bij voedselbereiding en catering voor gastro-intestinale infecties en dragerschap.
  c. Tuberculose is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid. Slechts na een adequate behandeling en nadat de betrokkene genezen wordt verklaard door een geneesheer specialist, wordt een certificaat van medische geschiktheid afgeleverd.
  d. Overgevoeligheid of contra-indicaties voor vaccinaties welke in het vaargebied van de betrokkene noodzakelijk zijn, is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid of beperkingen in het vaargebied.
  e. Seropositiviteit voor HIV is geen reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid. AIDS is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid. Bij gebruik van AIDS remmende middelen kan in een beroepsprocedure, incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie, een certificaat van medische geschiktheid afgeleverd worden, met eventueel beperkingen.
  3. Gezwelziekten
  a. Kwaadaardige gezwelziekten zijn een reden voor het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Slechts bij volledige remissie en indien geen acute problemen te verwachten zijn, bevestigd door een specialistisch rapport, is het toegestaan om een certificaat van medische geschiktheid op te stellen.
  c. Goedaardige tumoren die complicaties kunnen veroorzaken zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  4. Endocriene ziekten
  a. Insuline dependente diabetes is een reden voor het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Bij niet-insuline diabetes wordt rekening gehouden met de aard van de anti-diabetica en hun mogelijke nevenwerkingen, de therapietrouw en het ziekte-inzicht van de betrokkene.
  c. Manifeste hypo- of hyperthyroidie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Ongecompliceerde obesitas met een BMI boven 30, een duidelijk verminderde inspanningstolerantie en aanwijzingen dat de betrokkene gehinderd wordt in het uitoefenen van zijn functie, is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Gecompliceerde obesitas met een BMI boven 30, een normale inspanningstolerantie maar met risicofactoren als hypertensie of verhoogde serumlipiden, is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  f. Voor andere endocriene stoornissen is een gunstig specialistisch rapport vereist, waaruit vooral blijkt dat er geen acute problemen te verwachten zijn.
  5. Aandoeningen van het bloed en de bloedvormende organen
  a. Humorale en cellulaire immuundeficiënties zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Stollingsstoornissen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid. Slechts in een beroepsprocedure kan incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie een certificaat van medische geschiktheid afgeleverd worden, met eventueel beperkingen.
  c. Anemie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Voor overige chronische bloedziekten is een gunstig specialistisch rapport vereist waaruit blijkt dat er geen acute problemen te verwachten zijn.
  6. Psychische stoornissen
  a. Psychosen in de voorgeschiedenis met een kans op herhaling zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Bipolaire stoornissen in de voorgeschiedenis zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Depressies die niet onder het begrip bipolaire stoornis vallen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Obsessiecompulsieve aandoeningen en verslavingen zoals chronisch alcoholisme, verslaving aan verdovende, opwekkende of andere psychotrope stoffen in de laatste vijf jaar en gokverslaving zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Persoonlijkheidsstoornissen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  f. Hoogtevrees en claustrofobie zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  g. Voor overige psychiatrische ziekten is een specialistisch rapport vereist waaruit blijkt dat er geen acute problemen te verwachten zijn.
  7. Aandoeningen van het zenuwstelsel
  a. Alle aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen of aanvallen van vertigo zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Alle vormen van epilepsie en narcolepsie zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Systeemziekten van het zenuwstelsel zoals multiple sclerose en de ziekte van Parkinson zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Migraine is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Noctambulisme is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  8. Spraak
  a. Ernstige spraakstoornissen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Ook bij lawaai moet er met stemverheffing voldoende spreekvaardigheid zijn.
  9. Aandoeningen van neus, keel en mond
  a. Ernstige belemmering van neusademhaling vb. door een extreme septumdeviatie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Uitgebreide cariës of aandoeningen van het tandvlees zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Recidiverende tonsillitis en focale infecties zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  10. Aandoeningen van het ademhalingsstelsel
  a. Astma is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Chronische luchtwegen infecties en chronisch obstructies longlijden (COPD) met ernstige longfunctiestoornissen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Longfibrose is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Recidiverende spontane pneumothorax is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Andere longaandoeningen met een risico op acute verslechtering van de longfunctie zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  11. Aandoeningen van hart en bloedvaten
  a. Hartklepafwijkingen en congenitale hartgebreken met haemodynamische consequenties zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Pathologische ritme- of geleidingsstoornissen zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Het dragen van een pacemaker is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Aandoeningen van het myocard met verminderde belastbaarheid van het hart zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Ischaemische hartziekten, angina pectoris en coronaire hartziekten zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  f. Aneurysma is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  g. Hypertensie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  h. Symptomen van perifeer arterieel of veneus vaatlijden zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  i. Een cerebrovasculair accident, inclusief een voorbijgaande ischemische aanval (TIA) is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  12. Maag- en darmaandoeningen
  a. Aandoeningen van maag of slokdarm met verhoogde kans op bloeding of perforatie, inclusief ulcus pepticum zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Chronische darmziekten zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Herniae zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  13. Aandoeningen van lever, galblaas en pancreas
  a. Symptomen van leverlijden, galstenen of galblaasontsteking zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Pancreasontsteking is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  14. Aandoeningen van de urinewegen
  a. Aandoeningen van de hogere en lagere urinewegen met een recidiverend karakter zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Verminderde nierfunctie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Lithiase is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Prostatisme is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Symptomatische hydrocoele en varicocoele zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  15. Gynecologische aandoeningen
  a. Meno-metrorrhagieën zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Uterusprolaps is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Endometriosis is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Recidiverende salpingitis is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  16. Zwangerschap
  a. Zwangerschap is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid of beperking in het vaargebied.
  17. Huidziekten
  a. Huidziekten die frequent recidiveren en een belemmering vormen voor de uitoefening van een functie aan boord zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  18. Aandoeningen van het bewegingsapparaat
  a. Rugklachten, gewrichtsaandoeningen en andere ziekten van het bewegingsapparaat zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid indien de aandoening progressief is, pijn, verminderde belastbaarheid of functiebeperking tot gevolg heeft.
  b. Contracturen die tot bewegingsbeperking leiden, zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  c. Verminkingen of aangeboren afwijkingen die tot een verminderde belastbaarheid of een verhoogd ongevalrisico leiden, zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  d. Prothesen en kunstgewrichten zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  e. Recidiverende schouderluxaties zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  19. Allergieën
  a. Allergische aandoeningen aan stoffen die aan boord aanwezig zijn, zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  20. Aandoeningen van het oor
  a. Een chronische en actieve infectie van het oor is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  b. Trommelvliesperforatie is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid tenzij de aandoening ongeveer 6 maanden rustig is.
  c. Trommelvliesbuisjes zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid tot 6 maanden na plaatsing indien de aandoening na die tijd rustig is.
  d. Een operatieholte is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid tenzij ze gedurende 6 maanden rustig is en geen andere behandeling nodig heeft.
  e. de ziekte van Menière en alle aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen of aanvallen van draaiduizeligheid zijn een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  21. Het gehoor
  A. Zeevarenden zonder uitkijk- of wachtfunctie
  i. De keuring van het gehoor is een onderdeel van de algemene lichamelijke keuring.
  ii. De gehoorscherpte dient zo te zijn dat conversatiespraak op een afstand van 2 meter voor ieder oor afzonderlijk geheel foutloos wordt verstaan.
  iii. Slechts in een beroepsprocedure kan incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie een gehoorapparaat worden toegestaan.
  B. Dek- en brugdienst met uitkijk- en wachtfunctie (H1)
  i. Eenmaal in de 6 jaar wordt een onderzoek gedaan met de toonaudiometer.
  ii. Een gehoorverlies van gemiddeld 30 dB voor het beste oor en bovendien van 40 dB gemiddeld voor het slechtste oor is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  iii. Als criterium geldt het rekenkundig gemiddelde van de ongemaskeerde luchtgeleidingsdrempels bij 1000, 2000 en 3000 Hz.
  iv. Bij tussentijdse controles dient de gehoorscherpte te worden gecontroleerd met fluisterspraak vanop 2 meter en conversatiespraak vanop 3 meter, deze dienen door beide oren afzonderlijk foutloos te worden verstaan.
  v. Slechts in een beroepsprocedure kan incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie een gehoorapparaat worden toegestaan.
  C. Machinekamerdienst met wachtfunctie (H2)
  i. Bij elk onderzoek wordt een test met de toonaudiometer gedaan.
  ii. Een gehoorverlies van gemiddeld 30 dB voor het beste oor en bovendien van 40 dB gemiddeld voor het slechtste oor is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  iii. Als criterium geldt het rekenkundig gemiddelde van de ongemaskeerde luchtgeleidingsdrempels bij 1000, 2000 en 3000 Hz.
  iv. Slechts in een beroepsprocedure kan incidenteel, in een individueel geval en voor een enkele functie een gehoorapparaat worden toegestaan.
  22. Het oog- en gezichtsvermogen
  Visus veraf
  A. Dek- en brugdienst met uitkijk- en wachtfunctie (Z1)
  i. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.
  ii. Indien correctiemiddelen nodig zijn wordt met eigen (reserve) bril of contactlenzen met elk oog afzonderlijk een gezichtsscherpte bereikt van 0,7 voor het beste oog en 0,5 voor het slechtste oog.
  B. Machinekamerdienst met wachtfunctie (Z2)
  i. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.
  ii. Indien correctiemiddelen nodig zijn wordt met eigen (reserve) bril of contactlenzen met elk oog afzonderlijk een gezichtsscherpte bereikt van 0,4.
  C. Zeevarenden zonder uitkijkfunctie
  i. De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen.
  ii. Indien correctiemiddelen nodig zijn dient met eigen (reserve) bril of contactlenzen met beide ogen gelijktijdig een gezichtscherpte te worden bereikt van 0,4.
  Visus nabij
  Voor het nabij zien geldt dat, zo nodig met eigen correctiemiddelen, een gezichtsscherpte overeenkomend met de volgende uitslagen wordt bereikt : Snellen = of beter dan 3.
  Reservebril
  Indien bij de keuring voor de visus veraf of nabij gebruik is gemaakt van optische correctiemiddelen, moet een reservebril worden meegenomen aan boord. Dit wordt vermeld op het certificaat van medische geschiktheid.
  Kleurenzicht
  Een voldoende kleurenzicht om aan boord zijn taak goed te kunnen vervullen.
  Gezichtsveld
  Elk oog afzonderlijk dient vrij te zijn van een voor de functie van de zeevarende storende beperking van het gezichtsveld. Afwijkingen binnen 30° van de fovea zijn niet toegestaan.
  Dieptezicht
  Er worden geen eisen gesteld aan het diepte zien.
  Oogchirurgie
  Goedkeuring is mogelijk na volledige genezing, mits na een postoperatieve stabilisatieperiode van 12 maanden wordt voldaan aan alle criteria voor het gezichtsvermogen en er geen nadelige verschijnselen zijn met betrekking tot contrastwaarneming, glare en nachtmyopie. Een intracorneale ring is een reden tot het opstellen van een verklaring van blijvende medische ongeschiktheid.
  Nachtblindheid
  Een adaptatietekort groter dan 1 logeenheid is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid.
  Dubbelzien
  Er mag geen dubbelzien bestaan.
  Andere aandoeningen
  Een progressieve oogaandoening die het gezichtsvermogen binnen 2 jaar kan bedreigen is een reden tot het opstellen van een verklaring van medische ongeschiktheid."

  Art. N4. Bijlage IV.
  1° Een punt V wordt toegevoegd, luidend als volgt :
  "V. Documenten inzake de examens van medische geschiktheid
  1. Certificaat van medische geschiktheid.
  2. Verklaring medische ongeschiktheid.
  3. Keuringsformulier.".
  2° Na het model van "document inzake minimumbemanning op vissersvaartuigen" worden de volgende modellen toegevoegd :
  "
  (Modellen niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-05-2006, p. 28256-28261).

  Art. N5.Bijlage V. - [1 Verplichte minimumeisen inzake verlening van een certificaat van kwalificatie voor scheepskok of een officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok als bedoeld in artikel 16/7 tot en met 16/15 van dit besluit.
   1. Ieder die een certificaat van kwalificatie voor scheepskok wenst te verkrijgen, moet :
   1° niet jonger zijn dan 18 jaar;
   2° vooraleer de in punt 3° bedoelde opleiding aan te vatten, beschikken over een Belgisch erkend diploma van kok of over een door de instelling die de in punt 3° bedoelde opleiding geeft aangenomen diploma of getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene over voldoende kennis beschikt om deel te nemen aan de in punt 3° bedoelde opleiding;
   3° een opleiding hebben voltooid, erkend door de met de scheepvaartcontrole belaste dienst, die voldoet aan de in bijlage V/1 vermelde bekwaamheidsnormen;
   4° een diensttijd hebben vervuld in de keuken van een zeeschip van minstens drie maanden; en
   5° beschikken over een geldig medisch certificaat bedoeld door artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
   In afwijking van punt 1, 2° tot en met 4° wordt het certificaat van kwalificatie van scheepskok ook uitgegeven aan de kandidaat scheepskok die reeds voor 20 augustus 2014 als scheepskok dienst deed op een schip dat de Belgische vlag voert indien hij een door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar gelijkwaardig geachte opleiding en ervaring in de functie van scheepskok bezit. In dat geval wordt daarvan op het certificaat melding gemaakt.
   In afwijking van punt 1, 2° tot en met 4° wordt het certificaat van kwalificatie van scheepskok ook uitgegeven aan de kandidaat scheepskok voor een schip dat de Belgische vlag voert, die niet beschikt over een certificaat uitgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde overheid van een Staat die partij is bij MLC 2006 indien hij een door de scheepvaartcontrole belaste dienst gelijkwaardig geachte opleiding of ervaring bezit. In dat geval wordt daarvan op het certificaat melding gemaakt.
   2. Ieder die een officiële verklaring van erkenning van kwalificatie voor scheepskok wenst te verkrijgen, moet :
   1° niet jonger zijn dan 18 jaar;
   2° een door paragraaf 4 van norm A3.2. van MLC 2006 bedoelde opleidingscursus hebben voltooid die erkend is door de bevoegde overheid van een Staat die partij is bij MLC 2006;
   3° een diensttijd hebben vervuld in de keuken van een zeeschip van minstens drie maanden; en
   4° beschikken over een geldig medisch certificaat bedoeld door artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-09-30/05, art. 34, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. N5/1. [1 - Tabel met bekwaamheidsnormen overeenkomstig punt 1.3° van bijlage V
  

  

Bekwaamheid Kennis, begrip en beroepsbekwaamheid
Efficiënt beheer van de scheepsvoorraad - Kennis betreffende FEFO (first expired first out principe)
   - Kennis betreffende behandeling en beheer van diepvriesproducten
   - Kennis betreffende behandeling en beheer van gekoelde etenswaren
   - Kennis betreffende behandeling en beheer van droge etenswaren
   - Kennis betreffende de etikettering van producten
   - Kennis betreffende het bewaren van etenswaren aan boord
Berekening van de porties en het bestellen van voedingswaren - Kennis van gewichten
   - Kennis van voedingsgroepen
   - Kennis van regionale aankoopmogelijkheden
   - Kennis van prijzen
   - Kennis van bewaren van de kwaliteit van de producten
   - Kennis van de verschillen tussen zelf gemaakte bereidingen en kant en klare maaltijden
   - Kennis betreffende het opmaken van een bestelling rekening houdend met de aanwezige stock, het aantal bemanningsleden, de nationaliteit en religie van de bemanning, de geografische ligging van het schip en de te overbruggen periode tot volgende levering
   - Kennis betreffende de specifieke problematiek in een scheepskeuken t.a.v. een horecakeuken
Grondige kennis van gerechten - Kennis van verschillende voedselcombinaties
   - Kennis van specifieke, regionale recepten
   - Kennis van basissauzen
   - Kennis van vleesbereidingen
   - Kennis van visbereidingen
   - Kennis van soepen, voorgerechten, hoofdschotels en nagerechten
   - Kennis van brood en banketgebak
Grondige kennis betreffende hygiëne, veiligheid en MARPOL - Kennis betreffende basishygiëne in de scheepskeuken
   - Kennis betreffende persoonlijke hygiëne en veiligheid - Kennis betreffende het hygiënisch gebruik van materialen
   - Kennis van de problematiek van de hygiëne in koele plaatsen en andere bewaarplaatsen
   - Kennis betreffende de principes van HACCP (Hazard Analysis Critical Control Points)
   - Kennis betreffende MARPOL bijlage 5
   - Kennis betreffende het beheersplan afval
   - Kennis van het verslagboek afval
   - Kennis betreffende de oorzaken en het vermijden van voedselvergiftiging
Bereiding van een 4 gangen maaltijd - Kennis van een goede keukenpraktijk
   - Kennis van de hygiëne in de scheepskeuken
   - Kennis van de budgettaire aspecten, het mogelijke hergebruik en de toepassing van deze elementen
De bereiding van brood en banketgebak - Werken met levende gist
   - Werken met droge gist
   - Doseren van het zoutgehalte
   - Controleren van het rijzen van het brood
   - Wit en grijs brood
   - Zuurdesem
   - Werken met de verschillende degen die aan boord worden bereid
   - Basisbereiding van taarten
   - Werken met room
Grondige kennis betreffende gezonde voeding - Kennis betreffende de BMI (Body Mass Index) of het ideale gewicht
   - Kennis betreffende de soorten vetten
   - Kennis betreffende de koolhydraten
   - Kennis betreffende het gebruik van zout
   - Kennis betreffende calorieverbruik
   - Kennis betreffende de verschillende voedselallergieën
   - Kennis betreffende de verschillende soorten suikers
Beschikken over het juiste gedrag - Zin voor verantwoordelijkheid
   - Kunnen werken in groep
   - Zelfdiscipline
   - Orde en netheid
   - Management vaardigheden
   - Leidinggevende vaardigheden

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 35, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. N5/2. [1 - Certificaat van kwalificatie van scheepskok
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-10-2014, p. 79233)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 36, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. N5/3. [1 - Officiele verklaring van erkenning van kwalificatie van scheepskok
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-10-2014, p. 79234)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-30/05, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 20-08-2014>

  Art. N6. [1 Bijlage VI. - Aan de commissie mee te delen gegevenstypen voor statistische doeleindent
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-09-2014, p. 73391-73392)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>

  Art. N7.[1 Bijlage VII. - Certificaat van medische geschiktheid/Medical certificate
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-09-2014, p. 73393-73395)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-09-04/12, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 04-07-2014>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 24 mei 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid,
M. VERWILGHEN
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der zeeschepen, inzonderheid op artikel 4, 1°, f;
   Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, inzonderheid op artikel 39, § 2;
   Gelet op het koninklijk besluit van 21 mei 1958 betreffende de toekenning van de brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen in de koopvaardij, de zeevisserij en de pleziervaart, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 juni 1959, 13 februari 1961, 8 april 1964, 10 juni 1965, 18 maart 1966, 17 augustus 1966, 14 maart 1967, 3 augustus 1967, 13 maart 1968, 3 juni 1969, 10 april 1970, 27 januari 1971, 26 maart 1971, 20 juli 1971, 25 oktober 1971, 2 oktober 1972, 28 maart 1974, 2 juli 1975, 11 maart 1977, 21 april 1978, 4 december 1978, 14 januari 1983, 5 april 1983, 10 mei 1984, 10 januari 1986, 4 september 1986, 3 september 1987, 21 oktober 1993 en opgeheven bij koninklijk besluit van 12 juni 1996 betreffende de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen die vereist zijn voor de zeevisserijvaart voor wat betreft de zeevisserij;
   Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 2 mei 1984, 7 mei 1984, 12 juni 1996, 20 januari 1997, 7 januari 1998, 13 juli 1998, 13 september 1998, 23 december 1998, 3 mei 1999, 23 oktober 2001, 11 maart 2002, 31 januari 2003, 29 februari 2004, 19 maart 2004, 1 september 2004, 17 september 2005 en 21 november 2005;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 april 1974 tot instelling van een permanente toelating voor gebrevetteerde officieren ter kustvaart om dienst te doen aan boord van koopvaardijschepen ter lange omvaart;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1993;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 betreffende de brevetten die vereist zijn voor de sleep- en offshorevaart;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart;
   Gelet op het koninklijk besluit van 13 september 1998 houdende havenstaatcontrole en wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 1998, 21 juni 2001, 31 januari 2003 en 25 oktober 2004;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 november 1999 tot uitvoering van Richtlijn 98/35/EG van de Raad van 25 mei 1998 tot wijziging van Richtlijn 94/58/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden;
§ §§Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 mei 2006;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie geven op 8 mei 2006;
   Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 23 november 2003 aan de richtlijn te voldoen; dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2003/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 houdende wijziging van Richtlijn 2001/25/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 14 mei 2005 aan de richtlijn te voldoen; dat artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2005/23/EG van de Commissie van 8 maart 2005 tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 29 september 2005 aan de richtlijn te voldoen;
   Overwegende dat België door de Commissie van de Europese Gemeenschappen met brief van 25 juli 2005 inzake de omzetting van Richtlijn 2003/103/EG en met brief van 5 december 2005 inzake de omzetting van Richtlijn 2005/23/EG in gebreke werd gesteld wegens niet tijdige omzetting van de richtlijnen; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 2 februari 2006 inzake de omzetting van Richtlijn 2002/84/EG, een arrest heeft gewezen waarbij wordt vastgesteld dat België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; dat België bijgevolg onverwijld de richtlijnen dient om te zetten in nationaal recht;
   Gelet op het advies 40.461/4 van de Raad van State, gegeven op 17 mei 2006 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en Onze Minister van Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
 
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-2014 GEPUBL. OP 09-10-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 10/1; 16/7-16/15; N5; N5/1; N5/2; N5/3)
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-09-2014 GEPUBL. OP 17-09-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 3; 4; 5; 5/1; 7; 8; 9; 10; 12; 14; 15; 16/1; 16/2-16/6; 29/1; N1; N6; N7)
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-11-2009 GEPUBL. OP 18-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : N1)

Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
          Franstalige versie